Religie: met en zonder God

Religie: met en zonder God

Daniel Vanhoutte
Oktober 2018

Het panorama van de religies toont ons een bonte verscheidenheid van duizenden goden, godinnen en halfgoden. Goden spelen een hoofdrol in allerlei mythische verhalen over de oorsprong van de wereld, de schepping van de mens, de ordening van de samenleving, de oorsprong van cultuur en rituelen, enz. Het begrip ‘mythe’ wil echter niet zeggen dat het om loze fabeltjes gaat. Het wordt algemeen aanvaard dat mythen een specifieke manier zijn om vorm te geven aan fundamentele intuïties i.v.m. mens en kosmos. Omdat de mythe zich uitdrukt in de vorm van verhalen doet ze een beroep op gepersonaliseerde wezens met antropomorfe kenmerken. Als literaire vorm heeft de mythe dus een hoog metaforisch gehalte, dat uitdaagt tot interpretatie en actualisering. En aangezien ook de christelijke Bijbel veel mythische taal gebruikt, is een letterlijke lezing van de Bijbel uit de boze en is er grote nood aan een exegese die een brug slaat naar de eigen tijd.

Voor veel mensen van deze tijd is ‘God’ een zwaarbeladen begrip. Het besef van tot een groter geheel te behoren is nog wel alom aanwezig maar men is niet meer ontvankelijk voor een volwaardig godsbegrip. Veel traditionele godsbeelden hebben daardoor hun zeggingskracht verloren. Ook de vrij algemene aanvaarding van de evolutieleer i.v.m. het ontstaan van mens en kosmos heeft het begrip van God als schepper zo goed als overbodig gemaakt alhoewel de discussies over het creationisme en het zog. ‘intelligent design’ het debat en de kritische reflectie af en toe weer doen opflakkeren. Ook de klassieke argumentatie dat God een noodzakelijke hypothese is om het ontstaan van het leven, de kosmische orde en de morele natuurwet te verklaren, kan velen niet meer overtuigen.

Vandaag de dag beperken velen zich tot het geloof in ‘iets’, wat aanleiding heeft gegeven tot de ironische benaming van ‘ietsisme’. Theologisch gezien is dit ietsisme nochtans verre van belachelijk want het doet misschien meer recht aan de goddelijke transcendentie dan allerlei al te antropomorfe godsbeelden. Het ietsisme is op zijn minst een interessante opstap naar een volwaardige religie omdat we hierin het bewustzijn van een overstijgende dimensie ernstig wordt genomen. Veel mensen hebben afstand gedaan van het traditionele godsbegrip waarin God wordt begrepen als een op zichzelf bestaand wezen boven, buiten of achter de kosmos. Een theologie die uitgaat van God als axioma of onwankelbare premisse slaagt er niet meer in om mensen van deze tijd tot een godsbesef te brengen.

Het is opvallend dat deze problematiek van geloofsafval en ontkerkelijking zich vooral manifesteert in de westerse wereld waar het traditionele christendom met een heel nieuwe maatschappelijke context wordt geconfronteerd, met name deze van het militante atheïsme, het genetisch determinisme, het wetenschappelijk positivisme, het economisch materialisme en de filosofie van de autonome zelfbeschikking. In de westerse cultuur van de moderniteit is het godsgeloof geïmplodeerd en is het aantal mensen dat zich nog expliciet ‘gelovig’ noemt tot een minderheid herleid. Velen hebben de kerk de rug toegekeerd. Vraag is of daarmee niet het kind met het badwater is weggegooid.

Eeuwenlang heeft men religie gedefinieerd en beleefd als ‘geloof in God’ maar er zijn ook altijd filosofen geweest die het bestaan van goden radicaal in vraag hebben gesteld. Vandaag de dag is het denken over God in termen van bestaan of niet bestaan niet meer relevant omdat je niet meer kan zeggen ‘ik geloof in God’ zonder te verhelderen wat je bedoelt met het woord ‘God’ en welke specifieke betekenis je geeft aan het werkwoord ‘geloven’ en het werkwoord ‘bestaan’. Voor moderne atheïsten is God een gevaarlijke illusie maar in hun positivistisch rationalisme gaan ze meestal voorbij aan de eigenheid van de religieuze taal. Deze is immers noch wetenschappelijk, noch filosofisch, noch theologisch maar literair, d.w.z. verhalend en verbeeldend. Een letterlijke lezing van de Bijbel is dus voorbijgestreefd. Van een roman vragen we ons toch ook niet permanent af of alles wel echt is gebeurd.

Maar er is méér. De rationalistische filosofen van de Verlichting hebben de religies ten gronde bevraagd en hebben de Bijbelse verhalen als mythische fabels geklasseerd. In de Franse revolutie werd God vervangen door ‘la déesse de la raison’. Maar geleidelijk aan drong het moderne rationalisme ook door in de wereld van de theologie. Met Reimarus (1694-1768) op kop begon een reeks theologen, filosofen en kerkhistorici aan een grootschalig project van kritische Bijbelstudie volgens strikt-wetenschappelijke normen. De Roomse kerk heeft daartegen een scherp offensief van antimodernisme gevoerd maar heeft niet kunnen beletten dat geleidelijk aan ook theologen uit eigen kring de weg van de ontmythologisering zijn opgegaan.

Nog een ander groot probleem is dat van het ontologisch dualisme, dat de werkelijkheid opdeelt in twee zijnsorden: natuur en bovennatuur, aarde en hemel, lichaam en ziel, materie en geest, enz.. Als mensen vandaag de dag er ten gronde van overtuigd zijn dat de totale werkelijkheid één groot geheel vormt, moet de inhoud van de begrippen ‘God’, ‘religie’ en ‘geloof’ herzien worden. We worden derhalve uitgedaagd om het godsbegrip te herijken. Kunnen we God omschrijven in niet-traditionele termen? Kunnen we tot een godsaffirmatie komen vanuit de seculiere realiteit? Hoe moet het begrip ‘religie’ vandaag de dag ingevuld worden en hoe moeten we ons eventueel een religie zonder God of goden voorstellen?

Kerken en religies gaan in de westerse wereld door een diep dal en toch is er reden om deze crisis niet exclusief te bekijken als een onomkeerbaar proces van aftakeling en ondergang maar eerder als een langzaam en moeizaam proces van herbronning en vernieuwing. Daar zijn een aantal theologen – ook in Vlaanderen – al volop mee bezig maar er is – zeer begrijpelijk – ook taaie weerstand. Het is bijvoorbeeld met de dag duidelijker aan het worden dat de cultuur van de moderniteit ook de theologie tot een copernicaanse omkering van perspectief heeft gebracht naar analogie met de perspectiefwissel in de kosmologie. Deze bestaat erin dat religie niet meer top-down wordt bekeken vanuit een God-in-denhoge maar bottom-up vanuit de innerlijke openheid voor een spirituele dieptedimensie en vanuit een zoektocht naar het ware mens-zijn.

Uitgangspunt van deze zoektocht is de universele en onontkoombare ervaring van het leven zoals het feitelijk is: contingent en ambivalent. Het leven is in allereerste instantie een gegevenheid met een unieke combinatie van mogelijkheden en beperkingen. Hoe een mens van hieruit groeit en zich ontwikkelt wordt voor een groot deel bepaald door de context van plaats, tijd, opvoeding en omringende cultuur maar is ook een zaak van levensbeschouwing en zingeving. De mens wordt gedragen en gestuwd door het verlangen en het vermogen om een antwoord te geven op de feitelijkheid van zijn bestaan. Eén van de mogelijke antwoorden ligt in het domein van de religie.

Nu is het heel merkwaardig dat er van het begrip ‘religie’ geen algemeen aanvaarde definitie te vinden is. Ook taalkundig en etymologisch is er geen sluitende verklaring over de oorsprong en de inhoud van het woord. In onze taal stellen we ‘religie’ meestal gelijk met ‘godsdienst’ en wordt ook het begrip ‘geloof’ meestal geduid als ‘geloof in God’. Toch bestaan er naast deze smalle definities ook bredere zoals deze van het Nederlandse SociaalCultureel Planbureau (SCP) in zijn periodieke rapporten over ‘God in Nederland’ : ‘religie is de wijze waarop mensen zich verhouden tot een boven-empirische sfeer, die aangeduid kan worden als bovennatuurlijk, heilig, goddelijk of transcendent’. In deze definitie klinken de begrippen ‘heilig’ en ‘goddelijk’ expliciet religieus maar is er met de termen ‘bovennatuurlijk’ en ‘transcendent’ blijkbaar ook ruimte voor een seculiere spiritualiteit. Van hieruit kunnen we terugkeren naar de vraag of er in de hedendaagse cultuur van de moderniteit al dan niet nog ruimte is voor een godsgeloof.

Tot nu toe werd religie al te vaak gedefinieerd als de relatie met een transcendente werkelijkheid buiten de kosmos. Deze tweede werkelijkheid droeg de kenmerken van eeuwig, onstoffelijk en volmaakt. Dit ontologisch dualisme van platonische oorsprong heeft tot op vandaag nog een aantal overtuigde aanhangers maar er zijn toch ook meer en meer mensen die overgestapt zijn naar een holistisch wereldbeeld met een ontologische eenheid van materie en geest. Dat heeft uiteraard niet te onderschatten consequenties. Al te lang hebben we God voorgesteld als een mensachtig wezen dat spreekt, handelt, oordeelt, straft en beloont en tezelfdertijd wordt aanbeden en verheerlijkt als almachtig, alwetend, alomtegenwoordig en algoed. Dergelijk godsbeeld roept ernstige vragen op in verband met o.a. het lijden en het kwaad in de wereld. Het godsbeeld van het klassieke theïsme wordt daarmee in vraag gesteld.

Het basisgegeven van een hedendaagse religiositeit is te vinden in het fascinerende verschijnsel van het leven zelf dat zich kenmerkt door een permanent streven naar groei, rijping, ontplooiing, vervolmaking en voltooiing. Dat geldt niet alleen voor mensen, planten en dieren maar ook voor alle andere vormen van dynamiek op macro- en microvlak in heel het universum. Dat wijst op de aanwezigheid van een scheppende en bezielende oerkracht die continue groei en verandering mogelijk maakt. Religie kunnen we van hieruit ook definiëren als relatie met de oergrond van het bestaan, die zich laat kennen als een ondoorgrondelijk mysterie. Of we dit mysterie ook de naam van ‘God’ mogen of moeten geven is voor mensen van deze tijd niet meer voor de hand liggend.

Als we het godsbegrip willen behouden moeten we goed voor ogen houden dat we God zelf nooit kunnen omschrijven. Het staat ook in de Bijbel: ‘niemand heeft God ooit gezien’. We zijn dus aangewezen op godsbeelden van eigen maaksel en daar zijn er vele tientallen van, zowel persoonlijke als onpersoonlijke, maar ze verwijzen allemaal naar dezelfde mysterieuze bestaansgrond van mens en kosmos. Het woord ‘God’ is dus een metafoor, d.w.z. een literaire stijlfiguur die we niet letterlijk mogen nemen maar die aanspreekt door zijn symbolische kracht. Niettemin behoudt het achterliggende zijnsmysterie hoe dan ook zijn ondoorgrondelijke eigenheid ongeacht of mensen er al dan niet de naam ‘God’ aan geven. En hoezeer ook de wetenschap pogingen onderneemt om dit mysterie te verzakelijken en te ontraadselen, hoe verder de horizon van de menselijke kennis weer opschuift. Religie is duidelijk geen zaak van observeren, analyseren, verklaren en begrijpen. Religie is niet ingesteld op kennis of wetenschap maar op wijsheid, dit laatste te begrijpen als het vermogen om een zingevend antwoord te vinden op wat men ‘de grote levensvragen’ pleegt te noemen.


De vraag of God wel of niet ‘bestaat’ heeft dus alles te maken met de vraag wie of wat de levenshouding van een mens inspireert en oriënteert. Dat is op de allereerste plaats wellicht de idee van geluk maar er zijn nog tal van andere ideeën en idealen die een mensenleven als dominant streefdoel kunnen beheersen zoals bijvoorbeeld de idee van vrijheid, emancipatie, democratie, vooruitgang, succes, liefde, genot, avontuur, enz. En dat kan ook de godsidee zijn. Het eigene van religie is erin gelegen dat de religieuze mens zijn leven in een perspectief plaatst dat uitstijgt boven de contingentie van het hier en nu, boven de eenzelvigheid van het ego en boven de waan van de dag. God is dan de naam die mensen geven aan een specifieke dimensie van het bestaan die men omschrijft als ‘metafysisch’, die door gelovigen als heilig of goddelijk wordt ervaren en die uitnodigt tot contemplatie, eerbied en dankbaarheid. Ook dan is de eerste vraag niet of God wel of niet ‘bestaat’ maar wat het godsbegrip voor mij kan betekenen, d.w.z. wat het met mij doet, welke impact het heeft op mijn dagelijkse doen en denken, tot welke levenshouding het mij oproept.


Maar wat het geloof in God concreet betekent is niet zomaar kant en klaar beschikbaar. Het is een kwestie van interpretatie zoals dit tot uiting komt in de bonte veelheid van godsdiensten, kerkgenootschappen, sekten, religieuze bewegingen en theologische stromingen. Om verkeerde interpretaties te voorkomen is er in de katholieke kerk een centraal leergezag maar ook dat biedt geen absolute zekerheid (ook al is in 1870 het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid afgekondigd). Het fundament van het christendom ligt weliswaar in de figuur van Jezus van Nazareth, die binnen de joodse religie nieuwe accenten heeft gelegd, maar toch geven de vier evangelies blijk van onderlinge verscheidenheid en bieden ze geen onbetwistbare zekerheid. Als openheid voor transcendentie is de kern van religie algemeen menselijk maar in hun uitwerking en vormgeving zijn religies onmiskenbaar getekend als menselijke cultuurproducten.

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan gaat u akkoord met deze instellingen.

Sluiten