Religie in postmoderne context

Religie in postmoderne context

Daniël Vanhoutte
23/10/2018

 

Moderniteit: de era van het ego

 

Kerken, godsdiensten en levensbeschouwingen opereren binnen een bepaalde maat­schappelijke context. Het uitzicht van de Europese culturen en samenlevingen is sterk beïnvloed door wat men “de moderniteit” noemt. Het woord “modern” verwijst naar een dynamisch krachtenveld want “modern” staat in tegenstelling tot traditioneel, conservatief, klassiek, ouderwets. Er kan maar sprake van zijn dat iets of iemand modern is, als er een uitgesproken verschil is tegenover de voorafgaande toestand. Het begrip “modern” veron­derstelt dus dynamiek, evolutie, ontwikkeling, verandering. Het begrip is bijzonder kenmerkend voor onze westerse beschaving, die opvalt door een heel sterke dyna­miek van snelle verandering. De westerse cultuur is blijkbaar meer dan andere culturen gefascineerd om niet te zeggen geobsedeerd door de idee van permanente vooruitgang. Een beetje schematiserend kunnen we enkele krachtlijnen van de moderniteit op een rijtje zetten: democratie op politiek gebied, liberalisme op economisch gebied, empirisme en rationalisme op wetenschappelijk gebied, vrijheid en gelijkheid op sociaal gebied, plura­lisme op ethisch en levensbeschouwelijk vlak, scepticisme en relativisme inzake gods­dienst. Het beginpunt van deze krachtlijnen ligt in de kernbegrippen van vrijheid en autonomie.

 

Etymologisch betekent het woord “autonomie”: zichzelf de wet stellen. Dat betekent dat de mens zelf de verantwoording van zijn doen en la­ten bepaalt en dat hij zelf de criteria vastlegt van goed en kwaad, van waarheid en onwaar­heid. Auto­nomie veronderstelt vrijheid. De mens kan maar vrij beslissen als hij niet be­voogd wordt door externe instanties. De mo­derne tijden zijn precies daarom zo sterk gete­kend door een drang naar emancipatie. We kennen het begrip “autonomie” in de betekenis van zelfstandigheid en onafhankelijkheid in politieke zin maar de laatste jaren heeft het woord ook de morele betekenis van “zelfbeschikking” gekregen, vooral in verband met de ethische kwesties van leven en dood. Meer algemeen betekent autonomie “zelfbepaling” in de zin van vrije keuze van doelstellingen en middelen voor zelfontplooiing. In de westerse geschiedenis zien we vanaf de Verlichting de geleidelijke doorbraak van een nieuwe vorm van mensenlijk zelfverstaan en duiding, die stap voor stap uitgroeit tot een totaalconcept dat zich uitspreidt over alle domeinen van de cultuur: de wetenschap, de politiek, de economie, het onderwijs, de opvoeding, de sociale verhoudingen en natuurlijk ook de godsdienst.

 

Aan de denkbeelden van de Ver­lichting zijn ook het vrijzinnig humanisme en het militante atheïsme ontsproten. De cultuur van de moderniteit heeft zich afgekeerd van God en godsdienst en heeft de vrije en autonome mens tot ultieme referentie uitgeroepen. Ten overstaan van het middel­eeuwse mens- en wereldbeeld betekent dit een verlegging van het zwaartepunt van het hierna­maals naar de binnenwereldse werkelijkheid (door sommigen “het hier­numaals” ge­noemd). Alle grote beslissingen berusten op vrije en persoonlijke keu­zes: de keuze van een school, een beroep, een levenspartner, een woon­plaats, een levensstijl, een politieke par­tij, een levensbeschouwing. Als er iets is waardoor de westerse beschaving zich onderscheidt van ongeveer alle andere, is het een permanente stroom van emancipatiebewegingen, waarvan het postmoderne individualisme het voorlopige eindpunt is. In de loop van een paar eeuwen heeft de westerse cultuur van de moderniteit zich ontwikkeld tot de era van het ego waarin de zin van het leven volledig in het teken gesteld wordt van zelfontplooiing, zelfbevestiging en zelfbeschikking.

 

Het loslaten van de metafysische grondslagen van cultuur en samenleving heeft geleid tot een maatschappijmodel dat gedomineerd wordt door de seculiere waarden van welvaart, consumptie, vrijheid en autonome zelfontplooiing. In de praktijk heeft dit ons gebracht tot een samenleving waarin economische prioriteiten de hele levenssfeer doordringen. Hiervoor is meer recent het begrip “economisme” ontwikkeld. Het economisme is gebaseerd op een economie van kapitalistische signatuur die zich realiseert via multinationale concerns, hoogtechnologische productiemethoden, uitgekiende distributienetwerken, intensieve kapitaalmarkten en wereldomvattende communicatiesystemen. Na de implosie van het communisme is dit economisme een triomfantelijke globalisering van heel onze planeet aan het organiseren alsof dit het ultieme model is dat alle menselijke behoeften zal bevredigen in een nieuw soort aards paradijs. Daarmee brengt het wereldwijd alle andere –ismen in de verdrukking en krijgt het de mythische allure van een pseudoreligie. 

 

Dat wil nochtans niet zeggen dat economie onbelangrijk is maar wél dat materiële welvaart alleen niet volstaat om te vol­doen aan de vraag naar een zinvol bestaan. Bij het invullen van zijn vrijheid staat de mens van de moderniteit immers niet alleen on­der de enorme druk van zijn existentieel individua­lisme maar ook onder het verpletterende gewicht van zijn eindigheid: hij moet zichzelf rea­liseren in de be­perkte tijdspanne van dit aardse leven. Het gevolg is dat indivi­duen nog nooit in de geschiedenis zo koortsachtig bezig geweest zijn met hun persoonlijk geluk. Het willen “slagen” is de primaire obsessie van de westerse mens. Er is geen plaats voor mislukking, zelfs niet voor stilstand en zeker niet voor “zonde”.

 

De moder­niteit is hoe dan ook een feit en er zijn echt ook redenen om er principieel positief tegenover te staan al was het maar om de eenvoudige  reden dat we collectief aan den lijve ondervinden dat er op vele domeinen van het dagelijkse le­ven een onmis­kenbare vooruitgang is geboekt. Het probleem zit dus niet in de vooruitgang als zodanig maar in zijn eenzijdigheid en zijn kwalijke neven­effecten. De combinatie van individualisering, secularisering en materialisering werkt duide­lijk blikver­smallend en perspectiefverkortend en precies daarin herkennen we een ernstig tekort aan zingeving. Het is dus niet een kwestie van “we moeten terug naar vroeger” maar wel van “we moeten iets doen om het geestelijk vacuüm van de moderniteit bij te sturen”.

 

De Verlichting heeft de godsdienst ten gronde bevraagd. Het ging daarbij niet meer over de vraag “welke is de ware godsdienst?” maar over de radicale vragen “heeft godsdienst als zodanig nog wel zin?” en “bestaat er wel een God?”. De radicale variant van de Verlichting heeft een poging ondernomen tot definitieve afrekening met God en godsdienst. Op die manier heeft de Verlichting in West-Europa het christelijk geloof in een nieuwe context geplaatst, nl. deze van het atheïsme en het agnosticisme. De botsing tussen christendom en moderniteit is zeer heftig geweest en laat diepe sporen na tot op onze dagen. Op één of andere manier is nagenoeg iedereen beïnvloed door het ideeëngoed van de Verlichting en leven wij mentaal in twee sferen die niet compatibel zijn. Dat zouden we de schizofrenie van de moderniteit kunnen noemen.

 

De tijd staat echter nooit stil: ook de moderniteit is intussen geëvolueerd en heeft in de loop van de vorige eeuw de fase van de “postmoderniteit” bereikt. Voor sommigen is dit een nieuw tijdperk, voor anderen is het slechts een verschuiving binnen de moderniteit. Het prefix “post” laat in elk geval aanvoelen dat iets over zijn hoogtepunt is en dat een wending aanwijsbaar is. De postmoderniteit heeft een paar verrassende vaststellingen opgeleverd. Eerste vaststelling: het ongebreidelde optimisme van de Verlichting is op zijn grenzen gestoten. De droom is niet uitgekomen, het nieuwe aards paradijs is niet gerealiseerd. Samen met de vooruitgang zijn er zelfs allerhande nieuwe problemen ontstaan, zoals het ecologische probleem en het wegvallen van maatschappelijke en morele kaders. Het modernistische vooruitgangsgeloof heeft een zware knak gekregen. En daarnaast zijn er ook onoplosbare problemen gebleven zoals de “eeuwige” menselijke problemen van het lijden, het kwaad en de dood. Samen met de vooruitgang is dus ook de horizon mee opgeschoven, waardoor het beloofde land onbereikbaar is gebleven. Het grenzeloze optimisme van “the sky is the limit” heeft deuken gekregen en deze ontnuchtering heeft een sterke weerslag op het geestelijk klimaat van onze samenleving, dat vandaag de dag getekend is door verwarring, onzekerheid, onbehagen en onrust.

 

Daarnaast is er nog een tweede verrassende vaststelling: God is niet dood. De godsdienst is niet uitgestorven en men is er ook in totalitaire regimes niet in geslaagd de godsdienst uit te roeien. De mens is een “animal religiosum” gebleven en vandaag de dag ziet men weer ten allen kante een heropleving van religie en spiritualiteit maar dan toch meestal buiten de institutionele religies. Men zegt dat het in onze wereld vandaag weer “knispert en zindert van religiositeit” maar dan wel in een sterk geïndividualiseerde versie, die men ook bestempelt als “ultramoderniteit”, te begrijpen als radicalisering van de kritische geest en het individualisme van de moderniteit. Dat brengt mee dat de godsdienst geprivatiseerd wordt en dat velen hun persoonlijke godsdienst “à la carte” bricoleren vanuit een wereldwijd amalgaam van religie, filosofie, psychologie, esoterie en allerhande meditatietechnieken, trainingen en therapieën, al dan niet vermengd met christelijke elementen. Uiteraard past dit fenomeen van “eclectisch syncretisme” perfect in de filosofie van de vrije zelfontplooiing maar anderzijds is dit een enorme uitdaging voor de institutionele religies.

 

De ontkerkelijking van de westerse wereld heeft veel te maken met een complex geheel van maatschappelijke veranderingen zoals de gestegen welvaart, het dominante economisme, de invloed van de media, de agressieve vrijzinnigheid,  de breuklijnen tussen de generaties, de vraag naar het nut van religie, enz. Ook van binnenuit hebben de kerken gezag verloren door het vasthouden aan strikt conservatieve standpunten inzake seksuele moraal en door de hypocrisie i.v.m. de pedofilieschandalen. Maar er is meer: het kernprobleem van de ontkerstening van de westerse wereld is de geruisloze implosie van het godsgeloof. Het gaat hier met name over wat we het theocrati­sche paradigma kunnen noemen. Kerken zijn instellingen die hun leer, hun rituelen en hun ambten op goddelijke grondslagen baseren. Daarmee plaatsen ze zich niet alleen bui­ten en boven maar vooral tegenover de geseculariseerde cultuur van de moderniteit. De kloof tussen geloof en cultuur is geleidelijk aan breder en dieper geworden en schijnt stilaan onoverbrugbaar. Het heeft weinig zin om hier de schuldvraag te stellen want het zijn historische fac­toren die een wig tussen geloof en cultuur hebben gedreven. De huidige crisis van kerk en geloof in de westerse wereld is in elk geval niet begonnen in de decennia na het concilie van de jaren zestig maar is het resultaat van een complex historisch proces van meerdere eeuwen.

 

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan gaat u akkoord met deze instellingen.

Sluiten