Bewustzijnsontwikkeling

Inzicht verwerven in de levensbeschouwelijke ontwikkeling van mensen

Discussietekst aangeboden door
Marc Bittremieux
juni 2020

Inleiding

De cijfers tussen [ ] verwijzen naar eindnoten.

In deze tekst willen we een schets maken van de bewustzijnsontwikkeling van de mens. Net zoals de cognitieve en morele ontwikkeling volgt ook de geloofsgroei of spirituele groei deze bewustzijnsontwikkeling. Dit wil zeggen dat geloven een dynamisch verloop kent. Toch blijven veel mensen – o.a. in godsdiensten – ervan uitgaan dat geloven een statisch gebeuren is: je gelooft of je gelooft niet; je staat achter de dogma’s of je verwerpt ze. Leerstellingen over erfzonde, over verrijzenis, over maagdelijke geboorte, … (om het bij christelijke stellingen te houden) zijn vandaag de dag inhoudelijk onbegrijpelijk geworden en zodoende voor de hedendaagse mens niet meer uitlegbaar, waardoor ze ook niet (meer) een zinvolle invloed op het dagelijks functioneren hebben. Ze zijn geformuleerd vanuit een bepaald denkkader, vanuit een ander wereldbeeld, dat gelinkt is aan een bepaalde bewustzijnsstadium dat de meesten van ons in het Westen ontgroeid zijn. Toch kunnen deze formuleringen ook vandaag nog een spirituele betekenis hebben. De vertaalslag naar een doorgroeiend levensbeschouwelijk begrijpen gebeurt nog aarzelend of ontbreekt zelfs.

In de onderstaande tekst probeer ik inzicht te geven in de ontwikkeling van het bewustzijn, waarmee het verschil in levensbeschouwelijk functioneren helder kan worden. Wie de ontwikkeling van het bewustzijn begrijpt, begrijpt ook hoe het komt dat bepaalde mensen fundamentalistisch zijn, of pluralistisch, of agnostisch, … en daardoor anders aankijken tegen tal van hedendaagse maatschappelijke ‘problemen’. In een samenleving waarin men oog heeft voor de ontwikkelingsfasen van het bewustzijn is er kans tot meer harmonisch samenleven omdat er begrip kan ontstaan voor uiteenlopende standpunten en gedragingen van mensen. Begrip hebben betekent evenwel niet dat alle gedrag goedgekeurd moet worden. Begrip hebben betekent wel de opdracht opnemen tot verduidelijking, tot opvoeding, tot aanzet om tunnelvisies open te breken.

De inspiratie om de dynamiek het bewustzijn en van het levensbeschouwelijk denken te beschrijven ga ik te rade bij Ken Wilber [1] die met zijn ‘Integrale model’ inzicht geeft in dit ontwikkelingsproces. In dit proces wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘opgroeien’ (volwassen worden), ‘ontwaken’ (wakker worden) en ‘openstaan’ (tot bloei komen).

Het integrale model van Ken Wilber

Ken Wilber [1] heeft in zijn leven meer dan 100 oosterse en westerse bewustzijnsontwikkelingen in een groot overzicht samengebracht. Een aantal van deze bewustzijnsontwikkelingen kennen we. Denk maar aan Jean Piaget, Lawrence Kohlberg, James Fowler, Jane Loevinger, Spiral Dynamics, … In elk van deze ontwikkelingen kunnen we het basisschema van de antropoloog Jean Gebser herkennen. Gebser tekent een groei van mensen en culturen uit aan de hand van vijf wereldbeelden, die we hier vanuit een ontwikkelingspsychologische schets willen voorleggen. Mogen we hopen dat elke lezer gaandeweg zijn eigen wereldbeeld herkent en door dat te doen oog kan krijgen voor de mogelijke groei naar een ‘hoger’ [2] wereldbeeld om de beperkingen van het eigen wereldbeeld te kunnen overstijgen.

Van het integrale model behandelen we hier drie componenten van de bewustzijnsgroei: de bewustzijnstoestanden, de bewustzijnsstadia (of niveaus) en de bewustzijnslijnen. Deze drie componenten beïnvloeden elkaar, maar we behandelen ze hier afzonderlijk. Wilber bespreekt nog andere componenten, maar wij beperken ons hier tot deze drie [3].

1.  Bewustzijnsontwikkeling: de bewustzijns-toestanden

Iedereen is bekend met de grote toestanden van bewustzijn: wakker zijn, dromen, diepe slaap. Maar er zijn meer bewustzijnstoestanden. Op dit moment ben je in een wakende toestand van bewustzijn (of als je moe bent misschien in een toestand van dagdromen). Er zijn ook ‘meditatieve’ toestanden, als supplement opgewekt door yoga, contemplatie, meditatie, … of ‘gewijzigde’ toestanden zoals ‘trance’ opgewekt door het (vaak collectief) ondergaan van (dans)ritmes, of door drugsgebruik of de ‘benevelde’ toestand ten gevolge van dronkenschap. Ook kennen we een verscheidenheid aan piekervaringen getriggerd door een intense ervaring (beleven van de liefde, wandelen in de natuur, luisteren naar muziek, opgaan in het lezen van een boek of in het bekijken van een film, …).

In bepaalde situaties hoeft een bijzondere bewustzijnstoestand niet extreem speciaal te zijn – bv. op een reis, of bij een grenservaring, …: door iets alledaags aangegrepen worden, iets wat frequenter voorkomt persoonlijk als miraculeus ervaren, in vervoering zijn door een bepaalde zin, hoogsensitief reageren waar anderen onbewogen bij blijven, het maken van een winning-goal, applaus na een speech, …, – maar dat bijzondere kan wel de bepalende factor zijn voor je voornemens, je engagement. Ze kunnen aan een persoon levenslange diepgaande motivatie, zinrijkdom en drijfveren geven.

Kenmerkend voor deze toestanden van bewustzijn is dat ze tijdelijk zijn. Ze komen en gaan en het kan zijn dat het nooit nog terugkomt. Wellicht heeft elk van ons zulke aangrijpende momenten meegemaakt. Ook al zijn ze tijdelijk, de indruk die ze achterlaten kan fenomenaal zijn waar je jaren later nog in detail over kan vertellen. En ook al kan een toehoorder er zeer kritisch tegenover staan en je getuigenis misschien zelfs in het belachelijke trekken, het brengt je niet van de wijs, want voor jouzelf was het een onbetwistbare ervaring, als een ‘waarheid’.

Maar een nog belangrijker kenmerk is: de betekenis die iemand eraan geeft wordt bepaald door het bewustzijnsstadium waarin iemand leeft. Eenzelfde soort bewustzijnstoestand kan op elk stadium beleefd worden: een kind kan een numineuze [4] ervaring opdoen in de natuur, net zoals een mysticus of bejaarde goeroe diezelfde ervaring kan hebben, maar elk zal er een verwoording en betekenis aan geven die past bij het bewustzijnsstadium van die persoon. Laten we deze stadia eens nader bekijken.

2.  Bewustzijnsontwikkeling: de bewustzijnsstadia

Bewustzijnstoestanden komen en gaan. Hoe diepgaand ook: ze zijn tijdelijk. Terwijl bewustzijnstoestanden dus tijdelijk zijn, zijn stadia van bewustzijn permanent. Stadia vertegenwoordigen de werkelijke mijlpalen van groei en ontwikkeling. Als je eenmaal in een stadium bent, is het een blijvende verworvenheid [5]. Bewustzijnstoestanden kunnen wel helpen om de overgang naar een ‘hoger’ stadium te bewerkstelligen. Dit zien we meermaals als iemand in een ernstige crisis (geloofscrisis, identiteitscrisis, …) terecht komt, waarbij deze crisis, om eruit te geraken, uiteindelijk kan aanzetten tot ‘bewustzijnsgroei’ naar een volgend stadium.

We haalden al aan dat het stadiumconcept van Jean Gebser als voorbeeld genomen wordt. Hij spreekt van de volgende stadia: archaïsch [6], magisch, mythisch, rationeel en integraal. Voortbouwend op Gebser en met Spiral Dynamics [7] in het achterhoofd hanteren wij hier ook een vereenvoudigd concept van vijf stadia: magisch, mythisch, rationeel, pluralistisch, integraal [8].

De beschrijving van deze vijf stadia pakken we wat uitvoeriger aan, omdat de meeste mensen zich hiervan onbewust zijn, terwijl net het functioneringsstadium zo cruciaal is voor de interpretatie van wat er rond ons gebeurt, in het bijzonder van de religieuze fenomenen.

Stadium 1: Magisch functioneren (egocentrisch, vanuit fantasie, impulsief, narcistisch)

1.  Kenmerken:

      • Het stadium van magisch functioneren verwijst naar een levensopstelling gebaseerd op egocentrische drijfveren, op een magisch wereldbeeld en op impulsiviteit (zonder nadenken doen wat hier nu voor mij belang heeft). Bij de geboorte start elkeen in dit stadium. Dus vooral jonge kinderen functioneren vanuit dit stadium. Maar ook nog een relatief groot aantal volwassenen functioneren (nog) zo, ook in Vlaanderen.
      • Voor wie magisch functioneert ‘leeft’ alles. Voorwerpen, natuurfenomenen, bomen, … alles bevat een soort eigen geest die goed gezind of slecht gezind kan reageren, afhankelijk van het gedrag van de mens. Als de geest in een dier, of een boom, slecht gezind is kan dat bij het doden of omhakken magisch negatieve effecten geven. Ook woorden kunnen magisch geladen.
      • Typisch is dat een magisch functionerende persoon toevallig samenvallende gebeurtenissen interpreteert als gebeurtenissen die elkaar noodzakelijk veroorzaken (denk hierbij aan astrologie, …).
      • Wie magisch functioneert ziet in alles een mogelijke dreiging, waartegen enkel de juiste vorm van bezwering kan helpen.
      • Het dagelijks leven wordt in functie van de eigen persoon beleefd. Eigenbelang gaat voor op het belang van anderen, bijna exclusief tenzij de persoon zelf er voordeel uit haalt telt ook het belang van de ander. De magisch functionerende mens is met zichzelf begaan: narcistisch.

2.  Het wereldbeeld van de magisch functionerende mens[9]:

      • Dit wereldbeeld is sterk antropomorf en vol bijgeloof en alles heeft ‘bedoelingen’ om ‘mij’ te treffen. Alles in de werkelijkheid ‘werkt’ vanuit gevoelens die de mens erop projecteert: de rivier is moordzuchtig, de woeste orkaan heeft de bedoeling om ‘mij’ te treffen, de stoelpoot waar ik met mijn blote voet tegen loop is kwaad, het is om ‘mij’ te treffen dat mijn rij in de supermarkt het traagst vordert, zeker als ik dan van rij verander.
      • Het magisch wereldbeeld is gekenmerkt door magisch denken en handelen (zoals in het animisme), het oproepen van geesten van verwanten e.d. De hele wereld is be-geest-erd.
      • Het denken wordt sterk beïnvloed door fantasie, waarbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen het geheel en de delen waaruit veel vooroordelen ontstaan: bv. als een persoon met een baard als gevaarlijk wordt ervaren worden vervolgens alle mensen met een baard als gevaarlijk gezien.
      • Het afbeelding van een iets wordt niet duidelijk onderscheiden van het werkelijke object. Zo kan het prikken van een popje dat een persoon voorstelt iets aandoen aan die persoon.

3.  Het ultieme belang is hier:

      • voedsel en overleven en het eigen emotioneel plezier (en seks)

4.  Enkele voorbeelden:

      • Voodoo, animisme, voorouderverering, wichelarij, astrologie, bijgeloof, maar ook de films en strips met superhelden waarin ‘alles’ mogelijk is (denk aan superman, spiderman, of sprekende auto’s of de teletijdmachine, …), fantasieverhalen à la Harry Potter. Men denkt veralgemenend en met vooroordelen: één Aziaat keek gevaarlijk, alle Aziaten zijn gevaarlijk.
      • Of ook met de taart rondgaan, maar de stukken zo aanbieden dat het grootste stuk blijft liggen (en toch te horen krijgen: ‘Flink, Jan, dat je rondgaat’, maar Jantje weet wel beter), of naar een quiz gaan met een ‘gelukbrengende’ konijnenpoot in de broekzak, of een relikwie kussen of op bedevaart met de hand over de voet van een heiligenbeeld strijken, in de wagen afweren dat er gesproken wordt over een auto-ongeluk, … Magische kracht toewijzen aan bepaalde voorwerpen, zoals wijwater, schapulieren, zwarte katten, het getal 13, … 

Stadium 2: Mythisch functioneren (sociocentrisch, letterlijk, zelfbeschermend, conformistisch, dualistisch)

1.  Kenmerken:

      • In verband met magie is het grote verschil tussen magisch en mythisch functioneren de wijziging van de locatie van de ‘macht om wonderen te verrichten’. In stadium 1 ligt de kracht in de persoon zelf: ‘mijn dans doet het regenen’. In dit mythische stadium beseft men dat men zelf geen wonderen kan verrichten, maar men heeft de illusie dat God dat kan (of een ander bovennatuurlijk wezen). Vanuit hun bovennatuur kan men ingrepen als gunsten afsmeken: ‘God kan wat ik niet kan’. Men heeft de overtuiging dat God hier en nu kan interveniëren en de geschiedenis kan veranderen, maar daarvoor moet de mens de juiste rituele praktijken uitvoeren. Maar God kijkt mee naar je gedrag en je gedachten. Hij kan ook een wraakgod zijn.
      • Al wegen egocentrische drijfveren deels nog door, toch stelt men zich in dit stadium meer sociocentrisch (of groepsgericht, of etnocentrisch) op. De groepsgerichte ethiek kanaliseert de impulsiviteit en het narcisme van de magisch functionerende mens.
      • Er is een sterke hiërarchie binnen de groep en vaak regeert het principe: ‘macht geeft recht’. Toch is de ethiek groepsgericht, maar dan vooral ‘de eigen groep’. Conventionalisme en conformisme bepalen het groepsleven, zowel in gedrag als in denken. Er is groepsdruk en wie zich afwijkend opstelt zal ‘mores geleerd worden’, desnoods aan de schandpaal. Er is kliekjesdenken, waarbij aanleunen bij de leider voordelen geeft. Er is wel ook een eerste aanzet om zich in de rol van de ander in te leven. Het breken met de regels of het ontsnappen aan een rol leidt tot verdoemenis (en bij instituten tot excommunicatie).
      • In godsdiensten worden de basisteksten selectief uitgekozen en krijgen ze het aureool van ‘letterlijk’ te verstaan. (Enkele voorbeelden: ‘geloven’ (en zo de illusie hebben) dat Jahweh werkelijk met Satan een weddingschap zou afgesloten hebben om de standvastigheid van Job te testen, of geloven dat het in het aards paradijs vergaan is zoals daar staat en de duivel in de hoedanigheid van een slang een prominente rol van pretbederver gespeeld heeft waarna Jezus door zijn dood als ‘zoon van God’ de orde eindelijk terug hersteld heeft, of: het geboorteverhalen van Matteüs en van Lucas allebei als ‘echt zo gebeurd’ aannemen zonder problemen te hebben met hun onderlinge tegenstrijdigheden, of de vier versies van het lijdensverhaal, dood en verrijzenis van Jezus als ‘historisch getrouw’ aannemen (en ook hier niet de onmogelijke tegenstrijdigheden zien).
      • Maar niet alleen de teksten uit de Bijbel of de RK-geloofsbelijdenis of de Koran e.d. worden op deze manier ‘absoluut’ en ‘letterlijk gelezen’, ook Hitlers ‘Mein Kampf’ of Mao’s ‘Rode boekje’, … krijgen deze status. Ook sektarische groepen hanteren zo hun basisteksten (denk aan Scientology of Jehova’s Getuigen).
      • Er is een sterke neiging tot fundamentalisme (mijn God heeft gelijk, ongeacht goed of kwaad); tot extreem patriottisme (mijn land heeft gelijk, ongeacht wat); tot etnocentrisme (mijn volk heeft gelijk, ongeacht wat).
      • Mensen willen ‘bekeren’ is een sterke drijfveer. Goed zijn, liefdadigheid, goede werken worden in dit kader geplaatst, want wiens brood men eet, diens woord men spreekt: de ontvanger zal dankbaar zijn en dichterbij komen om in de gunst te blijven of zich zelfs bekeren omwille van de bekomen goedheid.
      • Men denkt dualistisch. Er is niets mis met duaal, tweeledig, denken: alles heeft vaak twee kanten. Maar dualistisch denken wil zeggen dat één van de twee kanten als ‘beter’ aanzien wordt en na te streven is: hemel-aarde, uitverkorenen-genegeerden, goed-kwaad, ziek-gezond, heilig-zondig, wij-zij, … De scherpe scheiding tussen groepen is opvallend: wij, de goeden tegenover zij, de toch wel iets vreemden of slechten, …. En dit zit op alle terreinen in onze samenleving ingebakken (zoals tussen regio’s, tussen landen, tussen politieke partijen, tussen sportploegen, tussen jeugdbewegingen, tussen schoolnetten, tussen mutualiteiten, tussen vakbonden, tussen bedienden en arbeiders, tussen godsdiensten en tussen strekkingen binnen een godsdienst, …). Reeds alleen al vanuit dit zo breed aanwezige kenmerk kunnen we vaststellen dat een groot deel van de bevolking sterk mythisch functioneert (ongeacht het intellectueel niveau dat iemand bereikt heeft).
      • De mythen (als verklaringsverhalen van de fenomenen) hebben wel een sterke kracht. Zij zijn zinstichtend en groepstichtend. Dit is een niet te veronachtzamen positief kenmerk. Denk bv. aan de verhalen over stichters van godsdiensten/religieuze gemeenschappen of voor de scouts de verhalen over Baden Powell, of de verhalen over de Leeuw van Vlaanderen en 1302. Ook onze ‘helden’ worden aanbeden. Ze worden vergoddelijkt (of heilig verklaard) waarbij vaak de ranzige kantjes worden verzwegen. Denken we maar aan: Pater Damiaan, Sint-Vincentius, Moeder Teresa, Thomas Merton, Johan Cruyff, Eddy Merckx, de Flandriens, Che Guevara, Jim Morrison, Elvis Presley, … Zo zijn deze ‘helden’ voor mythisch functionerende mensen navolgbare bakens en worden ze soms zelfs in kledij en gedrag nagebootst. Mythen hebben de kracht om te mobiliseren, om te dynamiseren.

2.  Het wereldbeeld van de mythisch functionerende mens

:

      • De wereldbeeld is conventioneel, traditionalistisch en mythisch van aard en het wordt bijna altijd als absoluut beschouwd. De identiteit van de afzonderlijke groepsleden valt samen met de identiteit van de groep (anders is het moeilijk om er echt bij te horen!).
      • Individuele mensen (en volkeren) beschouwen zich als uitverkoren, bedeeld met een bijzondere roeping. Wie deel uitmaken van de uitverkoren groep, vallen liefde en compassie ten deel, want zij zijn de kinderen Gods.
      • Voor de godsdiensten is de kosmos tweedelig: daarboven de hemel met God en al zijn heiligen – hier beneden de aarde met de mensen (deze alledaagse werkelijkheid, het tranendal). Het is de bedoeling na de dood bij de God te kunnen verblijven en dat geeft ‘zin’ aan het leven in het tranendal. Naar analogie hanteren ook de seculiere religies de dualistische opsplitsing: ofwel sociaal ofwel niet; ofwel liberaal ofwel niet; ofwel ecologisch ofwel niet… Dat je tegelijk sociaal én liberaal én ecologisch én … kan zijn kan moeilijk, want wat is dàn je identiteit? (Deze combinatie in één persoon is pas in de volgende stadia mogelijk.)
      • Vanuit de eigen cultuur (gedragscodes, kunst, feesten, ontspanningsvormen, …) wordt standplaatsgebonden geoordeeld over andere culturen (in andere werelddelen). En dit vaak door ze als inferieur af te wijzen, wat sommige radicale groepen blijkbaar het recht geeft ertegen te fulmineren en betogen, desnoods met moorddadig geweld.

3.  Het ultieme belang is hier:

      • macht en veiligheid, de wet volgen, wederzijdse eerlijkheid en geborgenheid in de groep

4.  Enkele voorbeelden:

      • Men is nog deels bijgelovig, en hecht nog steeds bijzondere krachten aan voorwerpen. Zich lenen tot exorcismen is daar een voorbeeld van. Rituelen dienen om bescherming te verkrijgen. Zie de rol van bedevaarten, verschijningen, devotionele praktijken, boeteprocessies, ex voto’s, …
      • De eigen clan, groep, partij, religie, … gaat voor. Godsdiensten, maar ook seculiere religies (bv. de politieke levensbeschouwingen, waarvan de meeste toch ook neigen naar fanatisme) zijn goede voorbeelden van het mythisch functioneren.
      • Men zoekt namaakparadijzen op, zoals de Efteling of Disneyland.
      • Vooral lagere schoolkinderen en vroeg-middelbare scholieren functioneren mythisch. Maar natuurlijk ook nog een zeer groot deel van de volwassenen.

Merk op dat bijna alle grote strekkingen van vandaag over de hele wereld ontstaan zijn in een mythisch-etnocentrische context (vanaf 5000 jaar geleden) en zich blijven handhaven in die context. Het kan dan ook niet verwonderlijk zijn dat mensen die functioneren in stadium 3 of 4 het bijzonder lastig hebben met het mythisch stadium en het feitelijk gedrag van hun vertegenwoordigers.

Mythisch functionerende mensen staan wel meer dan eens in een spagaathouding: aan de ene kant prediken ze vrede, vorderen ze gelijkheid tussen mensen op, roepen ze op tot liefde en liefdadigheid, komen ze naar buiten met hoge morele eisen alsof ze het geweten van de wereld zijn, roepen ze op tot compassie en vergevensgezindheid … en aan de andere kant roepen ze heilige oorlogen af, zijn ze zelf oorzaak zijn van uitsluiting (zie minderheidsgroepen, zoals homoseksuelen), negeren ze mordicus in eigen rangen de gelijkheid tussen man en vrouw, nemen ze het intern niet zo nauw met hun morele code (bv. op relationeel vlak: doofpot bij kindermisbruik, verborgen relaties, dominant gedrag, verborgen agenda’s, toch graag gediend willen worden, handelen ter eigen eer en glorie, eigen democratische regels naast zich leggen, groepen tegen elkaar opzetten, of bv. op financieel vlak: misbruik van gelden, uit zijn op persoonlijk geldgewin (zelfs investeren in de wapenhandel), chanteren en afdreigen om aan geld te geraken, of bv. op intellectueel vlak: standpunten verdraaien, pertinent liegen, …). Wie rationeel functioneert of wie pluralistisch functioneert kan niet anders dan deze tweespalt bij herhaling aanwijzen en hen aanklagen, deze volhardende mythisch functionerende vertegenwoordigers.

 

Stadium 3: Rationeel functioneren (wereldcentrisch, individueel-reflectief, consistent, billijkheid)

1.  Kenmerken:

      • Het 3de stadium begon in Europa zo’n 500 jaar geleden, tijdens de periode die bekend staat als de Europese Verlichting. Het individu begon zich toen te verwijderen van de groepsconformiteit en begon zich geleidelijk te distantiëren van de opvattingen over religie, natie of stam, die daarvóór als vanzelf werden overgenomen.
      • Cultureel realiseert men zich dat ‘de waarheid’ niet kan worden aangereikt vanuit een religie of in de openbaring/overlevering zit, maar dat ze wordt ontdekt, wat een grote vooruitgang van de wetenschap en de formele rationaliteit teweegbracht.
      • Het centrale kenmerk van rationeel functioneren is consistentie, vooral in het denken: je redeneringen moeten ‘wetenschappelijk’ kloppen en je mag niet met jezelf in tegenspraak zijn. De logica in de wiskunde moet dezelfde zijn als die in de fysica en de chemie bv. Vandaar dat een wereldbeeld waarin buitenwereldse ingrepen (waarbij natuurwetten zouden overtreden kunnen worden) toegestaan worden, niet kan passen in een rationeel denkkader. Een rationeel functionerende mens gelooft niet, hij weet. En wat hij weet staat los van gelijk welke godsdienstige of seculiere religie.
      • Rationeel betekent hier niet: droog, abstract, afstandelijk, dodelijk analytisch of iets dergelijks. Maar het gaat erom dat men voorwaardelijk kan redeneren: ‘wat als’ en vanuit ‘alsof’. Zo komt de letterlijke betekenis van teksten bv. in een genuanceerder perspectief te staan. Zo kunnen teksten meerlagige betekenissen krijgen (letterlijk-descriptief, symbolisch, metaforisch, performatief). Godsdienstige teksten worden ontmythologiseerd. Men gaat uit van wetenschappelijk opgebouwde kennis en zoekt ‘bewijzen’ aangaande geloofsovertuigingen.
      • Ethisch wordt men wereldburger: alle mensen worden omarmd. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948), het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (1950), de formulering van ‘Duurzame Ontwikkelingsdoelen’ (2015), … worden als vanzelfsprekend aanvaard (al blijft een meervoudige uitleg van deze pacten nog wel mogelijk). In Amerika is de ‘Bill of Rights’ (1789, 1791), net zoals ook de Belgische Grondwet (1831), richtinggevend (geweest) voor tal van landen: vrijheid van de persoon, onschendbaarheid van de woning, afschaffing doodstraf, vrijheid van eredienst en om zijn mening te uiten, vrijheid van onderwijs, vrijheid van vreedzaam vergaderen en van vereniging, …
      • Als er ethische regels overtreden worden volgt men niet de plichtsethiek (oordelen volgens wat de wetten hier zeggen), maar zal men rekening houden met de omstandigheden waarin iemand leeft en een inschatting maken van de bedoelingen van die persoon. Met andere woorden: men zal trachten in billijkheid te (ver)oordelen.

2.  Het wereldbeeld van de rationeel functionerende mens:

      • De wereld (kosmos) wordt gezien als te exploreren, te begrijpen, en moet binnenwerelds begrepen worden. Buitenwereldse ingrepen zijn niet toegestaan. ‘Binnenwerelds begrijpen’ betekent dat een nieuw fenomeen of het te onderzoeken fenomeen moet kunnen verklaard worden aan de hand van de kennis die men al heeft opgebouwd, of met consistente uitbreiding van die kennis.
      • De werkelijkheid wordt als ‘complex’ gezien, multifactorieel bepaald. Zo is de duale opdeling ‘hemel-aarde’ een naïef simplisme. Zo wordt een mens bv. gezien als tegelijk een intellectueel wezen, een relationeel en sociaal wezen, een emotioneel wezen, een geseksueerd wezen, een fysiek, biologisch en psychisch wezen, een spiritueel wezen, een evolutionair wezen, … en op al die vlakken kan de mens dysfuncties hebben (bv. eenzijdig getalenteerd zijn en onvermogend op andere vlakken omwille van erfelijkheid, opvoeding of wilskracht). Hierbij kan de mens zeer veranderlijk zijn, alleen al door het ouder worden nemen functies af en nemen andere toe. Scholing, reizen, lectuur, … beïnvloeden wie we zijn en hoe we ons gedragen, op een dynamische wijze.
      • Standpunten worden in discussie gebracht en (afwijkende) reflecties blijven toegelaten. Vandaar dat rationeel functionerende mensen meestal ‘vrijdenkers’ zijn: vrij staan tegenover de autoriteit van overheden, tegenover beperkingen van levensbeschouwingen en ideologieën, dus: vrij zélf denken.
      • Mensen krijgen rechten om billijk en niet-gediscrimineerd te worden behandeld.

3.  Het ultieme belang is hier:

      • presteren en excelleren

4.  Enkele voorbeelden:

      • Het boek van Roger Lenaers over Jezus van Nazaret [10].
      • Het boeddhisme (niet in zijn volkse vertolking, maar in zijn filosofie) is rationeel, vrij van dogma en autoriteit en van te geloven opvattingen. Het kent geen mythen en er is geen sprake van een ‘god’. ‘Zoek het zelf uit. Kijk naar je bewustzijnstoestanden’, is een basisregel in het boeddhisme.
      • Vooral laat-middelbare scholieren of hogeschool- of universiteitsstudenten of mensen in een volwassen leven functioneren meer en meer rationeel en wereldcentrisch.

Stadium 4: Pluralistisch functioneren (kosmocentrisch, verbindend, wereldbrede zorg, naar heelheid strevend)

1.  Kenmerken:

      • Mensen zijn de laatste 150 jaar pluralistisch gaan functioneren, met de grote doorbraak in de jaren 60-70 van de 20steHet betreft hier het vermogen om te zien dat er meerdere manieren tegelijk zijn om naar de werkelijkheid te kijken.
      • Er zijn meerdere universele waarheden, die naast elkaar staan en uit verschillende culturen komen. Bij deze wijze van functioneren worden alle mensen omarmd, zowel de mensen uit de meerderheid als de mensen uit minderheden. Ook andere religies worden actief omarmd.
      • Pluralistisch functionerende mensen hebben de aanzet gegeven tot de burgerrechten (in Amerika bv.) tot het oprichten van de feministische beweging, alsook bv. de homorechtenbeweging en wat vandaag de dag vooraan staat: de aanzet tot milieubewustzijn.
      • In zijn gezonde vorm is door pluralisme een wereldbrede solidariteit ontstaan en betrokkenheid ook voor andersdenkenden aan de andere kant van de wereld. NGO’s zijn daarvan de uiting: Amnesty International, Artsen zonder Grenzen, het Rode Kruis, de Unie van bezorgde wetenschappers (Committee / Union of Concerned Scientists), de Mercy Ships, de Lifeline Express in India
      • In zijn ongezonde vorm kunnen pluralistisch gevormde wereldbeelden leiden tot extreem relativisme, waarbij alle overtuigingen als relatief en ‘even waar’ worden gezien, wat kan leiden tot nihilisme, narcisme, ironie en zinloosheid… wat bij tal van intellectuelen, academici en opiniemakers kan worden waargenomen.

2.  Het wereldbeeld van de pluralistisch functionerende mens

:

      • Kenmerkend voor dit wereldbeeld is dat diverse levensbeschouwingen evenwaardig naast elkaar geplaatst kunnen worden. De veelheid aan standpunten, gezichtspunten worden gezien en worden begrepen als komend uit verschillende (sub-)culturen.
      • In dit wereldbeeld is men sterk geïnteresseerd in heelheid, in verzoening en samenbrengen en in het niet-marginaliseren of uitsluiten. Dit is niet alleen een passieve tolerantie, maar vaak een actief omarmen van anderen en hun levensvisie. Het gaat er niet alleen om andere visies te ‘dulden’, maar ze te leren kennen en zelfs op te nemen in de eigen levensvisie.
      • Men ziet hier de belangrijke ‘waarheden’ uit de verschillende religies. Men stelt hierbij vaak vast dat het levensbeschouwelijk functioneren ‘vloeibaar’ wordt: men hoort niet meer bij slechts één godsdienst maar is beweeglijk tussen (aspecten van) de religies. Een christen op dit niveau kan best ook boeddhistische praktijken volgen en de boeddhistische kijk op omgaan met het lijden overnemen, en tegelijk christelijk blijven praktiseren en zich engageren. Op het eerste zicht tegenstrijdige begrippen kunnen hier samengaan, zoals bij een aantal mensen die zich ‘religieuze atheïsten’ noemen.
      • Traditionele hiërarchieën worden gedeconstrueerd, men komt sterk op voor onderdrukten en achtergestelden, heeft een sterkt planetair en milieubewustzijn, en staat zeer open voor natuurmystiek. Men is sociaal bewogen, komt op voor de rechten van minderheden en streeft naar duurzaamheid in alle aspecten van het leven.
      • Een van de meest opvallende eigenschappen van dit wereldbeeld is het afwijzen en veroordelen van alle vormen van hiërarchie. Daarbij wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen ‘hiërarchieën van dominantie’ (die meestal onderdrukkend en inderdaad verwerpelijk zijn) en ‘hiërarchieën van verwerkelijking’ (zoals die voorkomen in de meeste natuurlijke groeiprocessen, inclusief die van de mens). In hiërarchieën van dominantie zien we op ieder hoger niveau een steeds kleinere groep die de grotere groepen op de lagere niveaus domineert en onderdrukt. In een groeihiërarchie omvat ieder hoger niveau steeds alle lagere niveaus: het lagere niveau wordt geïntegreerd en omarmd.

3.  Het ultieme belang is hier:

      • wereldbrede gevoeligheid en zorgzaamheid

4.  Enkele voorbeelden:

    • een groot aantal NGO’s

 

Stadium 5: Integraal functioneren (universaliserend, waardering voor elk niveau, gezond hiërarchisch)

1.  Kenmerken:

      • Dit stadium met een integraal wereldbeeld wordt gekenmerkt door het overstijgen van pluralisme en relativisme. Stadium 4 wordt hier opgetild tot een meer systematisch geheel. Eigenlijk is dit stadium bijna identiek aan het vorige stadium, maar het voegt er iets aan toe. De vorige stadia, ook het 4de, hebben alle de neiging het eigen stadium als absoluut te stellen, als de enige echt correcte, waardoor er een blindheid bestaat voor de andere stadia. Stadium 5, en vandaar de term ‘integraal’, erkent de waarde van alle voorgaande stadia van ontwikkeling.
      • Stadium 5 plaatst dus de inzichten van het pluralistisch functioneren in een grotere context die gezonde hiërarchieën en gezonde waarde-onderscheidingen mogelijk maakt.

2.  Het wereldbeeld van de integraal functionerende mens:

      • In dit wereldbeeld krijgt men dus zicht op het proces zelf van de bewustzijnsontwikkeling., waarbij erkend wordt dat elk van de vorige stadia een belangrijke rol te spelen heeft in de menselijke ervaring en dat elk stadium een eigen belangrijke waarheid aan het licht brengt. De vorige stadia worden geïntegreerd, zonder ze hun eigenheid te ontnemen en zonder ze alle relativistisch gelijk te schakelen.
      • Het feit dat deze stadia in deze volgordestapsgewijs verworven worden in de bewustzijnsontwikkeling en dat geen enkel stadium kan overgeslagen worden geeft het belang aan van elk stadium. Hierdoor juist kan (geestelijke) begeleiding of vorming in kaart gebracht worden: elke mens op zijn eigen bereikt bewustzijnsstadium functionerend moet gewaardeerd worden maar kan tegelijk ook kritisch geëvalueerd worden. Op elk stadium kan men immers ervaringen hebben van tijdelijke bewustzijnstoestanden (innerlijke gewaarwordingen of fenomenen) die vanuit de stadia op verschillende wijzen geïnterpreteerd worden, waardoor inzicht verworven kan worden over de toestand (wat men beleeft) en het stadium (hoe men het interpreteert). Hierop inspelend kan een begeleider bij de persoon mogelijks bewustzijnsgroei bewerkstelligen.

3.  Het ultieme belang is hier:

      • iedereen liefdevol omarmen en accepteren (inclusiviteit).

 

Kenmerken die Wilber bij deze stadia aangeeft en die wij menen te mogen bevestigen

We brengen hier samenvattend een aantal kernmerken aan die voor het onderwerp belangrijk zijn.

1.  Stadia zijn de bril waardoor mensen naar de werkelijkheid kijken.

Wat minder vaak – of eigenlijk bijna nooit – wordt begrepen is het belang van de wereldbeelden en de gezichtspunten voor het beschrijven van de menselijke ervaring: hoe die ervaringen worden gezien en geïnterpreteerd en ervaren. Die wereldbeelden en gezichtspunten zijn even reëel als sociale en culturele factoren.

De bewustzijnstoestanden zijn bepalend voor welke soorten fenomenen zich doorgaans kunnen voordoen en ook voor wat zich voordoet. Maar hoe de fenomenen worden ervaren en geïnterpreteerd, hangt af van de bewustzijnsstadia en de daarbij horende wereldbeelden. Vanuit het perspectief van een ander wereldbeeld (van iemand die zich in een ander stadium bevindt) lijkt ieder fenomeen een heel ander fenomeen te zijn. Bv. als iemand de wonderbaarlijke visvangst in het evangelie als mythisch functionerende persoon leest, dan leest en interpreteert hij dat verhaal als een echt wonder, terwijl een ander die dat verhaal rationeel benadert het symbolisch interpreteert. Of bv. als een iemand droomt over een stralend wezen van licht en liefde, dan zal een christen dit wezen wellicht als Christus zelf zien en – stel – mythisch functionerend er een boodschap in zien/horen, terwijl een rationeel functionerend persoon er kritisch zal over reflecteren aan de hand van het functioneren van de hersenen. Nog een voorbeeld: heel wat mensen beweren een bijna-doodervaring te hebben gehad (een wit licht aan het eind van een tunnel, uit het lichaam treden, …), het zal duidelijk zijn dat wie magisch of wie mythisch of wie rationeel of pluralistisch functioneert een interpretatie zal geven eigen aan het stadium van functioneren.

En wie heeft dan gelijk in al die voorbeelden, wie heeft waarheid? Elk van hen dus, elk op zijn eigen wijze.

2. Startpunt van elke mens is het magisch functioneren.

Iedereen start bij de geboorte in stadium 1 of het stadium van magisch functioneren. Niemand wordt rationeel geboren of functioneert van kindsbeen af postconventioneel, of denkt als peuter formeel-logisch.

3. Elk stadium moet doorlopen worden.

Je kan nooit een stadium overslaan. Je kan bv. nooit van magisch naar rationeel functioneren overgaan zonder niet eerst ook mythisch te hebben gefunctioneerd. Alle ontwikkelingsonderzoekers bevestigen dat. Je kan nooit wereldburger worden en wereldcentrisch functioneren als je niet eerst egocentrisch was of sociocentrisch (focus op de eigen groep).

4. In elk stadium is het eigen wereldbeeld dominant aanwezig.

Als je op een bepaald stadium functioneert is je wereldbeeld (je levensbeschouwing) volledig ingenomen door de kijk vanuit dat stadium. Je kan in het mythisch stadium bv. niet plots voor de grote levensvragen rationeel of pluralistische standpunten innemen. Wat niet wil zeggen dat zo’n persoon niet rationeel kan zijn. Hij kan rationele argumenten best aanhoren en de logica ervan inzien, maar in de overtuiging die uiteindelijk gevolgd zal worden zal het mythische zijn positie terug opeisen. Merk op dat hier een onderscheid gemaakt wordt tussen de verschillende ontwikkelingslijnen. Zie daarover het volgende deel. Een christen, mythisch functionerend, kan een groot wiskundige zijn, of een prima filosoof – denken we maar aan Mgr. Léonard – maar als het over de levensbeschouwelijke zaken gaat komt telkens het mythische denkkader prominent op de voorgrond en kan daar ‘schijnbaar logisch’ over geredeneerd en geredetwist worden. We kunnen hier ook de generatiegenoot Etienne Vermeersch plaatsen die zich in het rationele stadium bevindt en met Mgr. Léonard urenlang kan praten over muziek en zo, maar beiden het strijdbaar oneens blijven als het levensbeschouwelijke op de voorgrond komt [11].

5. In elk stadium (1-4) is het wereldbeeld exclusief: elk stadium (1-4) heeft de waarheid in pacht.

Vanuit het vorige punt is een zeer belangrijk kenmerk bij de eerste 4 stadia toe te voegen: in elk stadium gaat een persoon zó om met zijn wereldbeeld alsof dat het enige juiste is, het enige ‘ware’. Hierdoor is het blijkbaar onmogelijk ten volle respect op te kunnen brengen voor anderen die niet vanuit hetzelfde stadium functioneren als zijzelf. Denk aan de ‘grote atheïsten’ van onze tijd, die enkel het wetenschappelijk aantoonbare (= het rationele) als norm erkennen en dus niet moeten weten van godsdiensten, van subjectieve belevingen, van introspectie, … en die verwonderd zijn dat er ‘nog’ mensen zijn die zich in een godsdienstig kader bewegen. Zij reduceren de werkelijkheid tot de materieel toetsbare werkelijkheid. Maar hetzelfde geldt voor wie zich in het mythisch stadium bevindt. Zij stellen verwonderd de vraag: hoe kun je nu in ‘godsnaam’ atheïst of agnost zijn?

Opvallend hierbij is dat men vanuit een hoger stadium wel naar de onderliggende niveaus kan kijken, erover kan reflecteren en er de beperktheid van kan aanwijzen, maar dat men geen echt zicht heeft op het eigen stadium, er immers van uitgaand dat dat stadium vanzelfsprekend het hoogste bereikbare en ultieme stadium is. Standpunten loslaten die zo typisch beantwoorden aan het wereldbeeld van het eigen stadium, lijkt (bijna) onmogelijk te zijn.

Dus: ook al heeft een persoon die in stadium 4 functioneert de voorgaande drie doorlopen enkel het wereldbeeld van stadium 4 is voor hem geldig. Dit is een groot probleem voor de rationeel functionerende mensen (in stadium 3): ook zij zijn blind voor hun eigen positie en zien niet dat zij de werkelijkheid reduceren tot wat consistent is, toetsbaar en vrij is van subjectieve elementen. Maar (en dat weet de mythisch functionerende mens maar al te goed) er is meer in de werkelijkheid dan het objectieve, toetsbare en consistente: de liefde bv., of het gegrepen zijn door een ideaal, of de ontroering bij een hemels muziekstuk, ….

Het is precies pas in stadium 5 dat iemand integraal functioneert: dit wil zeggen dat hij de vorige stadia in hun eigenheid waardeert, ze een plaats kan geven, ook levensbeschouwelijk, en met mensen in gelijk wel stadium in gesprek kan gaan.

Als we hier met de slotzin uit puntje 1 verdergaan, waarbij elk stadium zijn eigen ‘waarheid’ heeft, dan mag het hier duidelijk zijn dat men vanuit de exclusiviteit die elk stadium claimt geen begrip kan opbrengen voor de ‘waarheidsinterpretatie’ van een ander stadium. Met onbegrip, veroordeling en zelfs verkettering van elkaar tot gevolg – gelukkig is er vandaag de dag geen inquisitie meer.

6. Wij weten niet hoe iemand ertoe komt naar een hoger stadium te verhuizen.

Hoe geraakt een kind van zijn Sinterklaasgeloof af? Sommigen zeggen door ‘uitdagen en ondersteunen’: het huidige niveau uitdagen en ondersteuning geven aan antwoorden op een hoger niveau. Wellicht klopt dit. Zie maar hoe we zelf ons eigen magisch functioneren uitgedaagd hebben en bv. bij het oversteken op zebrapaden onszelf uitdaagden om toch op de zwarte delen te lopen, terwijl je daarvoor met nauwgezetheid enkel op de witte banden liep, en je deed dat bv. net zoals vader die zich van wit en zwart niets aantrok bij het oversteken en die toch geen ongeluk boven het hoofd had hangen.

Anderen beweren dat groei onbewust ontstaat door de selectieve frustratie die men opstapelt door de levenswijze die op dat niveau werd opgelegd.

Nog anderen beweren dat training op andere vlakken (zie verder: andere bewustzijnslijnen) groei doet ontstaan, die zich ook verderzet in een versnelde groei naar een volgend stadium.

Zijn het de bewustzijnstoestanden met zijn piekervaringen (die dan ‘spiek’-ervaringen kunnen zijn) die stadiumgroei uitlokken? Of zijn het gesprekken met anderen die de groei bevorderen, via goede scholing of het lezen hierover, door een praktijk van goede meditatie, via het hebben van een goede geestelijke begeleider, door op reis te gaan en je te confronteren met andersdenkenden, door het durven aangaan van conflicten (zowel met anderen als met jezelf, via opvoeders die je met jezelf confronteren), … Wie zal het zeggen?

Eigenlijk weet men het niet echt en vermoedt men dat de persoonlijkheidskenmerken van elke mens zelf een bepalende factor zijn in het eventueel doorgroeien naar een volgend stadium.

Wat we wel kunnen zeggen is dat groei naar een volgend stadium pas mogelijk is als de persoon het (intellectueel) toelaat dat het eigen stadium met de bijhorende gezichtspunten en wereldbeeld onderwerp van denken wordt (met uitleg en aansporing van anderen, gecombineerd met zelfreflecties).

 

3.  Bewustzijnsontwikkeling: de bewustzijnslijnen

Een derde component van bewustzijnsgroei zijn de bewustzijnslijnen of meervoudige intelligenties.

Heb je al eens gemerkt hoe ongelijk ontwikkeld we bijna allemaal zijn? Sommige mensen zijn sterk ontwikkeld in bijvoorbeeld logisch denken, maar slecht ontwikkeld in emotionele vaardigheden. Sommige mensen hebben een zeer geavanceerde cognitieve ontwikkeling (ze zijn erg slim), maar met een slechte morele ontwikkeling (ze zijn gemeen en meedogenloos). Sommige mensen blinken uit in emotionele intelligentie, maar kunnen er bij manier van spreken geen 2 plus 2 aan toevoegen.

We merken hieruit op dat elke mens een verscheidenheid heeft aan intelligenties, zoals cognitieve intelligentie, emotionele intelligentie, muzikale intelligentie, kinesthetische intelligentie (bewegingskunst), enz…. De meeste mensen blinken uit in een of twee van deze, maar doen het slecht in de andere. Dit hoeft niet negatief te klinken, want met waarin men uitblinkt kan men een prachtige bijdrage leveren aan de wereld.

We kunnen deze ontwikkelingslijnen zien als meervoudige intelligenties, die zich ontwikkeld hebben als antwoord op de kernvragen van het leven:

  • Waarvan ben ik me bewust? (de cognitieve ontwikkelingslijn)
  • Wat heb ik nodig? (de behoeftenlijn)
  • Wie ben ik? (de lijn van zelfidentiteit)
  • Wat is belangrijk voor mij? (de waardenlijn)
  • Hoe voel ik me hierbij? (emotionele intelligentie)
  • Wat is het juiste en goede om te doen? (de morele ontwikkelingslijn)
  • Hoe moeten we met elkaar omgaan? (de interpersoonlijke lijn)
  • Hoe moet ik dit fysiek doen (de kinesthetische lijn)
  • Wat is voor mij van ultiem belang? (de spirituele ontwikkelingslijn)

Hoewel deze verschillende lijnen met elkaar verweven zijn en elkaar triggeren, evolueren ze alle in onderling verschillende tempo’s, waardoor we kunnen begrijpen dat sommigen op een aantal gebieden zeer ontwikkeld kunnen zijn, maar op andere niet.

Belangrijk om weten is dat elke intelligentielijn zich progressief ontwikkelt via stadia-ontwikkeling die we hierboven beschreven hebben: intellectueel denken we eerst magisch (egocentrisch) om via mythisch denken (sociocentrisch en dualistisch) over te gaan naar rationeel denken (wereldcentrisch en consistent) en hopelijk nog verder.

Hetzelfde geldt voor de andere intelligenties, ook al kunnen er piekervaringen zijn als glimpen van hogere mogelijkheden. De emotionele ontwikkeling in stadium 1 betekent dat men de capaciteit voor emoties heeft ontwikkeld die gericht zijn op ‘mijzelf’, vooral de emoties en drijfveren van honger, overleven en zelfbescherming. Als men emotioneel blijft groeien naar stadium 2, naar sociocentrisch, dan wordt de “mij” ingeruild voor een “ons – onze groep” met gehechtheden en emotionele verplichtingen aan geliefden, aan leden van de familie, aan de goede vrienden, misschien aan de grotere groep, of volk en natie. Als men dan naar stadium 3 uitgroeit, van “onze groep naar wij-allen-samen” zal het vermogen tot zorg en mededogen zich uitbreiden tot mensen buiten de eigen groep, volk of natie en probeert men om alle mensen (en zelfs alle bewuste dieren) op te nemen in een wereldcentrische zorg en compassie.

Er is een vrij eenvoudige manier om deze intelligenties of meerdere lijnen grafisch weer te geven. Meestal hanteert men de volgende 6 lijnen: cognitief, emotioneel, interpersoonlijk, psychoseksueel, moreel en spiritueel. In een diagram voorgesteld noemt men dit een psychogram.

We moeten niet uitblinken in alle bekende intelligenties, of we moeten er niet naar streven om alle intelligenties op niveau 3 te krijgen. Het nut van een psychogram is dat men kan nagaan waar de sterktes en de zwaktes liggen. Het kan een uitnodiging aan jezelf ontlokken om werk te maken van de groei van een bepaalde ontwikkelingslijn, waardoor zwakke intelligenties versterkt kunnen worden en je als mens tot een harmonischer persoon kan uitgroeien. Weten waar je zwaktes liggen kan helpend zijn om in conflicten toe te kunnen geven en niet te blijven doordrammen vanuit die zwakkere intelligentie. We moeten niet alle lijnen van ontwikkeling op hoog niveau onder de knie hebben, maar het is wel belangrijk je hiervan bewust te zijn, wetend dat groei door bewustwording en training bevorderd worden.

Slotbeschouwingen bij deze beschrijvingen van bewustzijnsontwikkelingen

Aan deze componenten van bewustzijnsgroei die Wilber schetst kunnen het hele spectrum van soorten begeleiding en counseling, van therapieën, van vorming en coaching, van technieken en oefeningen gekoppeld worden. Hier beperken we ons tot een aantal belangrijke beschouwingen, toegepast op religies.

 

1. Religies worden gekenmerkt door stadium 2: men functioneert er mythisch.

Er zijn weinig mensen die vanuit het integrale stadium (stadium 5) functioneren: men durft deze groep ruw te schatten op ±5% [12]. In het westen (vooral West-Europa) is er de laatste decennia een grotere groep pluralistisch functionerende mensen ontstaan (stadium 4): schatting van ±20%. Heel wat hooggeschoolden (maar dit is geen voorwaarde) functioneren vanuit het rationele stadium (stadium 3): schatting van ±40 tot 50%. Maar nog een groot aantal mensen functioneert op het mythische niveau (stadium 2): schatting van ±40%. De magisch functionerende groep (stadium 1) in het westen wordt nog op ±10% geschat.

In de bijgevoegde figuur wordt aangegeven dat de ontwikkeling op elk niveau een dubbelslag telt: eerst zijn er enkelingen (ik) die het groepsniveau (wij) ontgroeien en naar een volgende bewustzijnsniveau overgaan, waardoor ze ‘trekkers’ worden. Het duurt een hele tijd vooraleer de grote groep ook die stap tot dat volgende niveau zet. De grijze accolade geeft aan op welke niveaus onze westerse maatschappij voornamelijk functioneert.

Maar de hoofdstroom in alle godsdiensten is dat ze typisch mythisch zijn. Ook een groot aantal (niet alle) seculiere levensbeschouwingen zoals we die o.a. ook aantreffen in tal van politieke overtuigingen, situeren zich hoofdzakelijk op het mythische niveau. Telkens manifesteert zich het sociocentrisch functioneren, met andere woorden: een uitgesproken wij-zij-denken Dit heeft zijn consequenties voor de toekomst van het christendom. Ofwel vormt het christendom zich om ofwel verhuist het naar de andere werelddelen waar de grondstroom nog meer overwegend mythisch is, maar waar snel een inhaalbeweging zal gemaakt worden en de aanpassing zich toch zal opdringen. Het zal een grote krachttoer vergen om een christelijke geïnspireerde cultuur in onze hedendaagse maatschappij te bestendigen en te verdiepen. De tendens naar pluralistisch functioneren zou een uitdaging moeten zijn voor ieder die met open blik wil geloven en vanuit een spirituele gevoeligheid maatschappelijk betrokken wil zijn.

2. Een godsdienst zal zich ‘meerlagig’ moeten vertolken, om groei en bloei uit te lokken.

De maatschappij, ook de westerse, blijft toch nog divers samengesteld: alle ontwikkelingsstadia komen er voor. Dat kan ook moeilijk anders omdat elk kind op het ‘laagste’ niveau start. Maar wat is het bindmiddel tussen deze diverse vormen van functioneren. Het bindmiddel tussen die mensen zal in het christendom toch een evangelische boodschap (moeten) zijn. Daarom heeft het christendom de plicht haar boodschap in de wereldbeelden van de verschillende stadia te vertalen. Wat is de in magische begrippen geformuleerde versie van die boodschap, waarbij wonderen en bovennatuurlijke ingrepen vanzelfsprekend zijn? Wat is de mythisch geformuleerde versie van de kern van de christelijke boodschap? En wat is de rationeel vertolkte versie waarbij een grote ontmythologisering zal moeten gebeuren (à la Roger Lenaers). Maar het is nog een grotere kunst om de boodschap ook pluralistisch te brengen waarbij de communicatie met andere levensbeschouwingen mogelijk blijft. Het is een uitdaging voor ons allen [13].

En dan moet er ook een vaardigheid zijn bij een aantal christenen om de verschillende wereldbeelden evenwichtig tegelijk in perspectief te brengen en te blijven houden. Afhankelijk van de mentale en spirituele ontwikkeling, afhankelijk van het moment in het jaar, afhankelijk van wat door actualiteit gethematiseerd wordt, … zal het ene wereldbeeld prevaleren en samenhang moeten zoeken met wereldbeelden uit een andere stadia. Ik geef als voorbeeld het sfeerscheppende kerstverhaal dat sterk mythisch gekleurd is en tegelijk opvorderend kan zijn voor maatschappelijk engagement voor vluchtelingen, niet alleen met vrome woorden maar met effectieve daden. Zo ook in onderwijs of in tal van zorgsectoren bv. zijn degenen die jeugdigen begeleiden of die zorg verlenen ertoe gehouden dat ze gedifferentieerd gaan denken, spreken en handelen, uit respect voor het functioneren van de ander op zijn niveau.

3. Aan leidinggevenden en aan geestelijke begeleiders worden hoge eisen gesteld.

Het voorgaande legt daarom bijna noodzakelijk aan leidinggevenden (in de Kerk) en aan geestelijke begeleiders de voorwaarde op te beschikken over een groot vermogen tot geestelijke onderscheiding. Dit wil dus zeggen dat zij zelf minstens op stadium 4 (verbindend) en bij voorkeur op stadium 5 functioneren. De lat mag hoog liggen omdat hen een grote verantwoordelijkheid opgedragen wordt voor alle mensen op elk niveau functionerend. Wordt bij hun aanduiding of verkiezing hierover gewaakt en beraadslaagd. De graad van mythisch gekleurde vroomheid mag hier immers niet de norm zijn.

Deze leidinggevenden moeten dus gestimuleerd worden om integraal (stadium 5) te (leren) functioneren. Zo ook is dit een vereiste voor elkeen die in de begeleiding/vorming staat of voor wie als geestelijke begeleider met spiritueel zoekenden of met mensen in crisis op pad wil gaan: kan hij/zij inschatten op welk niveau de persoon die begeleid wordt functioneert en hoe houdt de geestelijk begeleider een integraal zicht en kan hij mensen begeleiden naar een transformatie naar een ‘hoger’ bewustzijnsniveau?

Voetnoten

[1] Ken Wilber, een Amerikaan, is een self-made man. Op jonge leeftijd was hij geïnteresseerd geraakt in oosters en westerse groeimodellen. Hij heeft een systeem gevonden om al die modellen naast elkaar te plaatsen. Hij is de bezieler van het integraal functioneren. Hij heeft veel publicaties op zijn naam. Wellicht is hij in de meeste talen vertaalde auteur alsook de meest gelezen denker/inspirator van onze tijd. Ook al heeft hij geen academische carrière gehad, het is toch de moeite waard om zijn integrale visie op het menselijk functioneren te bestuderen en het groeiproces in het eigen functioneren te herkennen.

[2] Merk op dat ‘hoger’ hier niet de betekenis heeft van ‘beter’.

[3] Wie meer wil weten over het Integrale Model kan ik de volgende twee boeken aanraden:

  • Wilber, K. (2018). Integrale wijsheid– De toekomst van spiritualiteit (1ste editie). Amsterdam, Nederland: Samsara. 237 blz., ISBN 978 94 9141 198 4
  • Wilber, K. (2019). Integrale meditatie– Mindfulness als pad naar Opgroeien, Ontwaken en Openstaan (1ste editie). Amsterdam, Nederland: Samsara. 381 blz., ISBN 978 94 9299 514 8

[4] Een begrip van Rudolf Otto, om het ‘heilige’ buiten een sfeer van godsdiensten te kunnen benoemen en waarmee hij het beleven van piekervaringen als algemeen menselijk wil typeren. Meer info: Van den Berk, T. (2005). Het numineuze. Zoetermeer: Meinema.

[5] In normale omstandigheden wel te verstaan, dus niet bij ernstige hersentrauma’s, bij psychisch zware belasting of bij dementie bv.

[6] Het archaïsche stadium bespreken we hier niet. Er kan moeilijk onderzoek naar gedaan worden. Het betreft het functioneren (denken, voelen, handelen, verlangen, willen, …) van de foetus, van de zwaar mentaal gehandicapte, van de comapatiënt, de zwaar dementerende bejaarde, … Archaïsch: dit wil zeggen dat de menselijke groeimogelijkheden in de kiem/wortel aanwezig zijn maar zich niet verder ontwikkeld hebben of onmogelijk geworden zijn als een gevolg van zware regressie.

[7] Beck, D. E., & Cowan, C. C. (2004). Spiral dynamics: waarden, leiderschap en veranderingen in een dynamisch model. Haarlem: Gottmer Uitgevers Groep b.v.

[8] Er zijn vele mogelijkheden van indeling van stadia. Kohlberg spreekt van preconventioneel, conventioneel, postconventioneel in verband met de morele ontwikkeling, Piaget spreekt voor de cognitieve ontwikkeling van: sensomotorisch > pre-operationeel > … > abstract-logisch; Fowler noemt de stadia van geloofsontwikkeling van: magisch > mythisch > … > universeel. Deze stadiaconcepten spreken elkaar niet tegen. De invalshoek en de meetlat is anders, maar deze concepten bevestigen elkaar in het ontwikkelingspad dat ze beschrijven. Het is zoals het verschil in het temperatuurmeten: Celsius maakte een 100-delige schaal tussen invriezen en koken, terwijl Fahrenheit een fijnere indeling van 180 graden gebruikte. Beide zijn nuttig, correct en consistent naast elkaar te plaatsen.

[9] Elk stadium illustreren we met een voorstelling op een ladder. De rode kruisen geven aan dat vanuit het eigen stadium de andere stadia ‘niet beschikbaar’ zijn. Voor nadere uitleg, zie kenmerk 4 en 5 in het onderdeel: ‘Kenmerken die Wilber bij deze stadia aangeeft’ na stadium 5.

[10] Lenaers, R. (2015). Jezus van Nazaret, een mens als wij? Kalmthout: Pelckmans

[11] Léonard, A. & Vermeersch, E. (2014), De ketter en de Kerkvorst, Amsterdam: De bezige bij.

[12] Deze schattingen gaan samen hoger dan 100%, omdat er overlap is afhankelijk van de manier van inschatten of iemand tot een bepaald stadium behoort.

[13] Een (eerste) waardevolle poging werd in Duitsland ondernomen. Küstenmacher, M., Haberer, T., & Küstenmacher, W. T. (2018). God 9.0 – De spirituele groeikansen van het christendom (2de editie). Hendrik-Ido-Ambacht, Nederland: Nederlandse uitgave in eigen beheer (vertaald door Piet van Veldhuizen – te bestellen bij pvveldhuizen@gmail.com). 284 blz. – zie ook: www.gott90.de en https://www.yot.be/nl/god-9-0.

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan gaat u akkoord met deze instellingen.

Sluiten