Geen toekomst zonder kleine goedheid

Burggraeve, R. (2020). Geen toekomst zonder kleine goedheid. Naar genereus samenleven in verantwoordelijkheid vanuit Emmanuel Levinas. Antwerpen. Halewijn N.V.

ISBN: 978-90-8528-559-5

Recensent: Marc Bittremieux, oktober 2020

Bespreking

Er is vandaag de dag een hernieuwde aandacht voor de vraag of de mens nu van nature goed of slecht is. Rutger Bregman, in zijn boek ‘De meeste mensen deugen’, illustreert dit. Hij pleit met tal van historische voorbeelden om ons oordeel over de mens te wijzigen naar het standpunt dat de natuur van de mens ‘goed’ is. Bregman plaatst daarvoor Thomas Hobbes (1588-1679), met zijn standpunt dat de mens fundamenteel uit eigenbelang leeft en kwaadaardig is, tegenover Jean-Jacques Rousseau (1712-1778), met diens standpunt dat de mens van nature goed is en door de decadente maatschappij naar het kwade neigt. In navolging van Bregman gaan velen onder ons graag op het standpunt van ‘de mens deugt wèl’ staan.

Burggraeve opent zijn boek door zelf een ‘woord vooraf’ te schrijven waarin hij aangeeft waarom hij dit boek geschreven heeft. ‘Het boek begint met de cruciale vraag welk concept van samenleven de voorkeur verdient. Is menselijk samenleven gebaseerd op de baatzucht (‘zijn’), namelijk op de inperking van de baatzucht (Hobbes), zoals die in onze neoliberale samenleving en in allerlei sociale organisaties en systemen werkzaam is? Of is humaan samenleven gebaseerd op de genereuze verantwoordelijkheid door en voor de ander (‘anders dan zijn’) (Levinas), namelijk in de inperking van die oneindige verantwoordelijkheid.’ (blz. 7, ook blz. 176).

Dit lijkt op een hernemen van een (weliswaar andere) ‘of-of’-positie zoals Bregman doet. Maar Levinas neemt een andere positie in, sprekend over ‘een onbaatzuchtigheid die van binnenuit de baatzucht openbreekt’ (blz. 57), waardoor de mens een ‘dubbel-zinnig’ wezen is (blz. 56): ‘In een genereus samenleven in verantwoordelijkheid zal men zich altijd moeten verhouden tot uitingen en praktijken van baatzucht en wederkerig welbegrepen eigenbelang, met hun kansen en ontsporingen’ (blz. 8). De mens ‘is’ (= baatzuchtig zijn) en in dat ‘zijn’ overschrijdt hij dat ‘zijn’ naar het ‘anders dan zijn’ (= verantwoordelijkheid opnemen voor de ander in het zien van het gelaat van de ander). Het woord ‘overschrijding’ (of transcendentie) komt in het boek tientallen keren terug als een soort refrein, een volgende stap in de reflectie. Op individueel vlak, op sociaal en tribaal vlak, op politiek-staatkundig en eng-nationalistisch vlak dient de baatzucht telkens ethisch overschreden te worden door het opnemen van verantwoordelijkheid voor de ander en voor het andere tot op het universele niveau (blz. 187, 188). En dit universele niveau moet op zijn beurt, zoals elk socio-politieke niveau, overschreden worden door noodzakelijke individuele gewetens die niet alleen van buitenaf maar ook van binnenuit de organisatie, het systeem, de structuur of instelling kritisch gaan bevragen (blz. 224).

Burggraeve neemt een aanloop van 240 bladzijden om uiteindelijk in een slothoofdstuk de ‘Onoverwinnelijke kleine goedheid (zonder triomf)’ te behandelen. De ‘kleine goedheid’ wordt in de titel van het boek de garantie voor de toekomst genoemd. Dit begrip is de ultieme overschrijding als individuele, sociale, politieke tirannie (hitlerisme en stalinisme bij Levinas) het leven totalitair in de greep houdt. De kleine goedheid is hèt menselijke in de mens. Zelf heb ik vanuit dit hoofdstuk een eigen ‘hooglied’ geschreven over de ‘kleine goedheid’. Het is aan de lezer om de vertaling naar het eigen dagelijkse leven te maken, het eigen dagelijkse leven dat wellicht niet in zulk extreem ‘totalitair’ regime geleefd wordt. Vandaar dat ik in het hooglied veeleer spreek van ‘als het leven wankelt’. Bij die poëtische beschrijving moest ik meermaals denken aan Leonard Cohens hymne ‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in’

Een van de kenmerken van de kleine goedheid is dat ze geen deel kan/mag uitmaken van een of ander systeem of fungeren in de baseline van een sociale organisatie. Dat is de reden waarom ze ‘klein’ genoemd wordt: niet omdat ze ‘petieterig’ is, want op blz. 271 wordt ze goddelijke vonk en bezieling genoemd, maar ze is klein omdat ze niet hoort bij een of andere grote (ethische) theorie. Ze is klein en eigenlijk mag je er niet over spreken, en er zeker niet over preken. De kleine goedheid gebeurt plots, onverwacht, onvoorwaardelijk, onafhankelijk van een of andere waardering, ongehinderd door afkomst, kleur of rang. Maar … de kleine goedheid promoten, ze opnemen in een ethisch systeem doet haar waarde teniet. Het boek van Burggraeve, alsook deze recensie, bezondigt zich daar eigenlijk aan. Maar dit is onvermijdelijk om de ‘kleine goedheid’ toch even toe te lichten. Ik noem haar een wonderlijke en spirituele, kracht in het alledaagse leven als ze gebeurt zonder getuigen, zonder triomf, als hoop tegen de wanhoop in. Als het leven wankelt.

We mogen evenwel de andere hoofstukken, de 240 voorafgaande bladzijden, niet vergeten in deze bespreking. We vernoemen ze in vogelvlucht. Ze gaan over de baatzucht, de struggle for life, over het weerbarstige en kwetsbare gelaat van de ander en over het niet verpletteren van de ander. Over de genereuze verantwoordelijkheid in meervoud en het samenleven in verantwoordelijkheid. Over het omslaan van het socio-politiek goede in zijn tegendeel. Over het pleidooi voor ethisch individualisme.

In de hoofdstukken ‘het kwetsbare gelaat van de ander’ en ‘de ander niet verpletteren’ wordt fenomenologisch ingezoomd op geweld en tal van vormen van lichamelijk lijden en psychisch lijden. ‘En dat leidt dan op zijn beurt tot diepe gevoelens van absurditeit en zelfdodingswensen, die niet zelden ook in zelfmoordpogingen uitmonden, al of niet als signalen die om hulp vragen. Langzaam installeert zich het verlangen dat er een einde aan het psychisch lijden zou moeten komen, alhoewel dit verlangen tegelijk dubbelzinnig blijft, in die zin dat het ook de vrees voor zichzelf installeert: in de neerwaarts zuigende, auto-destructieve neiging wordt men bang voor zichzelf. Dan wordt het psychisch lijden zo ondraaglijk dat het uitzichtloos wordt (blz. 95). Deze hoofdstukken zijn breed verkennend naar intermenselijk, naar existentieel, naar spiritueel lijden en de wisselwerking tussen lichamelijk en psychisch lijden.

Hier wil ik toch ook een kritische bedenking plaatsen. Het bovenstaande citaat deed bij mij de verwachting ontstaan dat in dit boek euthanasie ter sprake zou komen. En dat gebeurt spijtig genoeg enkel op blz. 128 waar het euthanasie-programma van het hitlerisme vermeld wordt waarbij alle ‘onzuiveren’ op een ‘zachte’ manier uit de weg worden geruimd. De auteur neemt hier met elk weldenkend mens duidelijke stelling vanuit het verbod ‘gij zult niet doden’ (blz. 134). Met Levinas voegt Burggraeve een elfde gebod toe: ‘U zult niemand alleen laten sterven’ (blz. 156, 158).

In het boek eindigt elk van de tien hoofdstukken met een slotpunt. Aan drie ervan wil ik hier bijzondere aandacht besteden. Hoofdstuk 6 eindigt met ‘Heeft een hond ook een gelaat?’ (blz. 167) en hoofdstuk 7 met ‘Heeft een SS-er ook een gelaat?’ (blz. 197). Burggraeve volgt Levinas om op beide vragen ja te antwoorden. Hoofdstuk 9 eindigt met ‘Hier ben ik!’ – ‘Me voici!’. Dit ‘Hier ben ik’ (het Hebreeuwse ‘hineni’) komt meermaals in het boek voor (blz. 148, 150, 248, 283): ‘Ik kom op voor de ander omwille van de ander, ondanks mezelf maar niet zonder mezelf’ (blz. 249). Dit slot bereidt het volgende hoofdstuk over de kleine goedheid voor.                                          

Beoordeling

Als een soort geestelijk testament heeft de auteur dit boek ‘Geen toekomst zonder kleine goedheid’ geschreven. Doordat Burggraeve bij elk begrip sterk leunt op het filosofisch denken van Emmanuel Levinas, vraagt het boek van de lezer enige toeleg en belezenheid. In zijn eigen stijl doet de auteur ruimschoots zijn best om telkens het filosofisch denken van Levinas, dat naar de voorgrond gehaald wordt of in tegenlicht geplaatst wordt, in zijn ethisch redeneren uit te leggen. Als geestelijk testament kan dit boek wel tellen.

Het is een aanrader om vanuit de studie van dit boek het ethisch reflecteren van een expert te volgen, kritisch met hem mee te denken en attent te zijn voor de veelvuldige vormen van ‘overschrijdingen’ die hij aangeeft in zijn reflectieproces. Aangesproken worden door de ‘kleine goedheid’ kan bij mensen van allerlei slag flitsen van uitzicht geven in uitzichtloze levenssituaties. Een meditatie waard.

Persoonlijke bedenking

Graag had ik een bijkomend slotpunt besproken gezien: ‘Heeft een euthanasie-aanvrager (bij fysiek lijden, bij uitzichtloos psychisch lijden) ook een gelaat?’ Als een arts dan ‘hineni -of- hier ben ik’ (blz. 249) zegt, geraakt door het gelaat van een euthanasie-aanvrager, hoe kan bij uitbreiding van het denken van Levinas door Burggraeve aanzetten gegeven worden om (ook christelijk) na te denken over de euthanasiepraktijk. Is het verbod ‘gij zult niet doden’ het enige dat er te zeggen valt? Is palliatieve sedatie (kort op blz. 157 aangehaald) met de zin ‘dit impliceert dat de nabijheid bij de stervende ander betekent dat we haar of hem niet aan zijn lot overlaten en minstens bij de andere aanwezig blijven’ (blz. 158, het elfde gebod). Welke ‘pastorale’ reflectie kunnen we naar voren schuiven als een niet-stervende zijn leven als ondraaglijk (fysiek / psychisch) lijden ervaart? Heeft de auteur zich in dit boek niet willen wagen aan het antwoord op deze vraag … of mogen we nog een naschrift verwachten? Hoe verhouden zich ‘de vrees om de ander naar het leven te staan’ (blz. 135), ‘met een verbod dat aangeeft wat niet mag’ (blz. 135) èn de ander die vraagt naar een ‘zachte’ dood omdat het lijden als ondraaglijk aangevoeld wordt? Kunnen de artsen ook bij een vraag naar euthanasie zeggen ‘Ik kom op voor de ander omwille van de ander, ondanks mezelf maar niet zonder mezelf. De unieke kwetsbare ander gaat mij aan en appelleert mij om te spreken, vanuit mijn bezieling, onbevangen en onbelemmerd, voorbij alle gestolde begrippen, afspraken, beelden, ideologisch ‘sociaal correcte’ overtuigingen en waarheden … Dit volstrekt subjectieve spreken, dit ‘zeggen-vóór-elk-gezegde’ brengt mij de ander nabij, in een nabijheid die nooit nabij genoeg is, zonder echter op de ander beslag te leggen. Schroomvolle nabijheid van goedheid zomaar, kleine goedheid.’ (blz. 249) Hoe verhouden euthanasie en goedheid, euthanasie en kleine goedheid, zich tot elkaar?

Tot slot

Mag de vraag naar nog een bijkomende reflectie over euthanasie door de auteur gehoord worden als een uitdaging enerzijds binnen de wetgeving in België en anderzijds het normatieve standpunt van de katholieke Kerk, zoals de auteur dat destijds ook deed in zijn essay ‘Tussen Rome en leven’. Hoe kan ‘overschrijding’ ook bij dit moeilijke thema een bespreking krijgen?

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan gaat u akkoord met deze instellingen.

Sluiten