Bekentenissen van een afvallige atheïst

Vanden Auweele, D. (2019). Bekentenissen van een afvallige atheïst (1ste editie). Antwerpen: Uitgeverij Polis.

ISBN978 94 6310 399 2

Recensent: Johan Bergé, februari 2020

 In de inleiding zet Vanden Auweele al de toon: In eerste instantie gaat religie niet over God of geloof, maar over de rots waar we ons leven willen op bouwen, over een open houding voor waarden en belangen die ons overstijgen (9). Zoals de meeste boeken heb ik ook dit boek te snel gelezen. Mijn eerste indruk was: Wow, wat een boek. Hoe doet hij het om te verwoorden wat bij vele eigentijdse randkerkelijke christenen leeft. Maar zo goed als het eerste deel charmeert, ontgoochelde het tweede. Bij een volgende lezing heb ik ook het tweede deel de nodige aandacht geschonken en ben verbaasd dat hij op een filosofische weg (Nietzsche e.a.), die de mijne niet is, tot de conclusie komt dat je constant moet twijfelen en schommelen tussen geloof en atheïsme, tussen verwondering en twijfel, tussen zeker zijn en aarzelen (110). En daarin kan ik mij volledig vinden.

Vanden Auweele begint met te onderzoeken waar de vijandigheid tegenover religie vandaan komt en of ze gegrond is? Hij verwijst naar de wetenschap, de moraal, de verlichting en het idee van de maakbaarheid van de mens wat botst met religies die aan die maakbaarheid grenzen willen stellen. Hij klaagt over de media die religie en wetenschap ongelijk behandelen, maar is blij dat desondanks religie onderhuids aanwezig blijft omdat het te maken heeft met diepzinnigheid (20). Bovenhuids is er de confrontatie met de islam wat beangstigend werkt omdat ze ons doet denken aan een verleden waar we ons voor schamen. De verlichte samenleving wijst religie af maar leidt tot dezelfde excessen. Wanneer alle belang bepaald wordt aan de hand van de vrije keuze van een individu, wat weerhoudt het individu er dan van om andere mensen te gebruiken naar zijn of haar goeddunken? Religie is een tegenkracht die op de waarde van andere mensen wijst, of ze nu voor ons waardevol zijn of niet (45).

Als religie in eerste instantie niet over God gaat, hoe begin je er dan aan? In een tweede hoofdstuk stelt Vanden Auweele dat iedere religie een culturele uiting is van een universele en tijdloze ervaring, de religieuze ervaring. Het cultiveren van die ervaring vindt de auteur niet wenselijk omdat hij behoefte heeft aan traditie en gebed. Bidden is het antwoord van het individu op de ervaring, de oprechte wens om de relatie aan te gaan met wat de wereldse ervaring overstijgt; om een onmogelijke nabijheid te creëren met datgene wat onder geen enkele omstandigheid nabij kan zijn (74). Je kan volgens de auteur enkel die onmogelijke nabijheid creëren door een historische invulling van het geloof.  Afhankelijk van je geloof, wat historisch gekleurd is, creëer je een cultureel bepaald godsbeeld. Persoonlijk ben ik de mening toegedaan dat het wel degelijk mogelijk is om in dezelfde cultuur en met hetzelfde geloof verschillende wisselende godsbeelden te creëren, naargelang de context van het moment. We spreken dan van vloeiende godsbeelden.

Religie is de ervaring van een gebeuren dat niet binnen een wereldse rationaliteit gevat kan worden. Geloof is het kader waarbinnen deze ervaring aan een vorm van begrip onderworpen wordt (68). Religie en wetenschap hoeven niet te botsen. Dogmatische atheïsten menen van wel omdat hun beeld van religie, al dan niet bewust, beperkt is tot monotheïstische godsdiensten die in hun voorstelling erg dogmatisch overkomen. Het is dan ook heel gemakkelijk te wijzen op de irrationaliteit van deze religies. Nochtans, zeker het christendom is continu aan verandering onderhevig en iedere poging om het vast te pinnen in een bepaald tijdperk getuigt van weinig besef van en begrip over het evoluerende christelijk geloof.

En, gaat de auteur verder: elke religie legt zijn eigen accenten maar zorgt voor een gevoel van verbinding tussen mensen om een harmonisch samenleven mogelijk te maken. Voor de theïst is er een levenshouding mogelijk die hiervoor gebruik maakt van de religieuze ervaring, voor de dogmatische atheïst kan dit niet. Geloof en atheïsme zijn in wezen modellen van verzet. Religie verzet zich tegen de reductie van de werkelijkheid waarin het economische en het politieke het voor het zeggen hebben (171). Het atheïsme, in de negentiende eeuw ontstaan, verzet zich tegen dogmatisch theïsme (Schopenhauer, Nietzsche en Marx). Veel hervormers binnen de christelijke kerk werden dan ook door hun tijdgenoten voor atheïsten versleten (175).

Vanden Auweele schakelt over op filosofie en theologie om de aanwezigheid van het kwade te duiden wat uiteindelijk de brug vormt naar een hoofdstuk over genade, vergiffenis en dankbaarheid.  Hij erkent dat filosofisch gezien het kwade een continu probleem is en blijft, maar waarom het dan niet eens bekijken op een niet-filosofische wijze? Ik heb er geen probleem mee om  het kwade te duiden omdat ik zie dat het de motor is van de evolutie (-theorie) en van andere biologische systemen. Trial and error: we evolueren omdat het succesvolle overleeft ten koste van de rest, wat we eigenlijk als een vorm van kwaad kunnen bestempelen. Een ander fenomeen is dat de meeste biologische systemen werken door het zoeken van een evenwicht tussen tegengestelden, wat we onder andere ‘goed en kwaad’ zouden kunnen noemen. Het is een meer holistische benadering van de werkelijkheid die op alle vlakken een grotere nuance toelaat van wat goed is en wat kwaad is. Deze nuance doordringt in deze postmoderne tijd het psychosociale wetenschappelijk denken.

Als een niet-dogmatische, over-de-randkerkelijke christen, is het mijn overtuiging dat de meeste mensen goed zijn en leven vanuit hun goed-mens-zijn. Maar genetische aanleg en vooral de context van opgroeien (leerproces) met zijn trauma’s en andere ervaringen zorgen ervoor dat sommige mensen veel meer moeite moeten doen om harmonisch te handelen. Niemand van ons slaagt erin altijd volmaakt te zijn en te handelen. Allemaal doen we naar onze godsvrucht en ons vermogen ons best. Dit is een religieus idee en dit ligt heel moeilijk omdat de mens telkens opnieuw geattendeerd wordt op zijn onvolmaaktheid. Maar juist door deze onvolmaaktheid wordt oprechte naastenliefde mogelijk (200). Vanuit deze gedachten heb ik een andere kijk op vergeving en vergiffenis dan Vanden Auweele.

Bij ‘klassiek’ vergeven, plaatsen we onszelf definitief boven diegene die we vergeven. Wanneer we vergiffenis krijgen, worden we gereduceerd tot iemand die minder waard is. Aan dit soort vergiffenis hangt geen religiositeit. Vergeven in een religieuze context doen we volgens mij aan onszelf. We vergeven onszelf dat we de andere persoon enkel beoordelen op uiterlijke tekenen van ‘zondigheid’ en hem, al was het maar een ogenblik, niet zien in zijn menselijke waardigheid/goddelijkheid. We zien in de andere niet langer een kind van God. Vergiffenis – onszelf vergeven – is dit beseffen en aanvaarden. Helemaal niet zo gemakkelijk, maar ook dat is een kenmerk van geloven.

Keren we terug naar het boek en enkele prachtige inzichten die Dennis Vanden Auweele ons aanreikt over dankbaarheid en genade. Je kan mensen verplichten op een bepaalde manier te handelen, maar niet om op een bepaalde manier te voelen. Wat we voelen is het domein van religie en religie kan een openheid creëren en cultiveren om de werkelijkheid op een bepaalde manier te ervaren. Men kan zich meer ontvankelijk maken voor de ervaring van genade en dankbaarheid door op een bepaalde ideologische manier in het leven te staan (185). Genade en dankbaarheid doen veel goeds, maar zijn ondergesneeuwd in de samenleving (186) omdat we er niet langer voor geconditioneerd zijn. Integendeel, in onze samenleving worden onze geslaagde daden als onze verdienste gezien (186) en de negatieve daden op het conto van de ander geschoven. Een radicaal geseculariseerde cultuur moedigt aan om in wederkerigheid te denken. Voor wat hoort wat, en daardoor worden dankbaarheid en genade overbodig. Waarom dankbaar zijn voor dingen waarvan we zelf de auteur zijn? Dankbaarheid is de uiting van een onverdiende gift, een gift die vrijelijk wordt gegeven. Die dankbaarheid creëert de openheid voor transcendente ervaringen waarop we ons leven kunnen bouwen (207-209).

Ik ben het niet altijd eens met Vanden Auweele, maar hij is er wel in geslaagd op verrassende wijze te beschrijven hoe je een eigentijds niet-dogmatisch christendom kan beleven; hoe religie in onze samenleving beleefd wordt door individuen en kleine gemeenschappen; waarom religie een weldaad is  en hoe seculiere christenen en religieuze atheïsten heel nauw bij elkaar aansluiten. Een productieve dialoog tussen gelovigen en atheïsten, waarbij beiden naar elkaar toegroeien door de dogmatische standpunten van de eigen groep te verlaten, zou kunnen leiden tot een revival van religiositeit. Het grote gevaar voor religie, en bij uitbreiding voor de mensheid, ligt in de apathie, een houding waarbij men zich afsluit van diepzinnigheid en passie (184).  Religiositeit zorgt voor meer draagkracht bij mensen in dit bij wijlen hectische leven en uiteindelijk creëren we zo een meer harmonische samenleving. Daarom vind ik dit boek een aanrader.

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan gaat u akkoord met deze instellingen.

Sluiten