Waar sta ik voor, …

Waar sta ik voor, wat houdt mij gaande, wat voedt mijn ziel?

Een geloofsbelijdenis

Luc Hessel
September 2019
  1. Op de vraag ‘wat of waarin geloof jij (nog)’ voel ik een zekere weerstand om op te antwoorden. Alsof geloven het intellectueel of rationeel aannemen is van waarheden (dogma’s) van een of andere meegekregen levensvisie of godsdienst, in mijn geval het katholieke geloof, dat je in principe gewoon te aanvaarden hebt in zijn totaliteit. Wellicht een restant van mijn vroegere filosofische en theologische opleiding waaraan ik mij met hart en ziel toevertrouwd heb en waar twijfel en ontkenning als ‘zondig’ beladen werden… De vraagstelling: waar sta jij voor, wat voedt jouw ziel, vertrekt nu voor mij niet meer vanuit een of ander vooropgestelde levensfilosofie of godsdienst, maar vanuit mijn eigen levenservaring, vanuit mijn persoonlijk gegroeide overtuiging en levensbetrachting.

 

  1. De kosmos, de wereld, het leven verbazen en verwonderen mij, telkens opnieuw. Waarom is er ‘iets’ en is er gewoon niet ‘niets’? Het ‘niets’ zou toch veel eenvoudiger zijn en geen vragen kunnen oproepen.  Ik ervaar het heelal, de ganse schepping en het leven op aarde met zijn vele raadsels als één groot dynamisch wordingsproces, een energiestroom die rusteloos zijn bedding zoekt en uitgraaft.  Dat proces kenmerkt zich door allerlei grilligheden en tegenstellingen, heel zeker.  Overal merk je barsten en breuken, aftakeling en verval,  pijn en lijden, ziekte en dood… En toch zijn er vaste, wetenschappelijk aantoonbare wetmatigheden, is er een evolutie waar te nemen van een toenemend bewustzijn en een steeds grotere biologische complexiteit, is er harmonie en geen chaotische wanorde…  Het heelal lijkt doelgericht te zijn met ergens een of andere mysterieuze bestemming.  Het ganse kosmische gebeuren lijkt als een onvoltooide symfonie toch ergens gedirigeerd te worden.  Het is mijn intuïtief aanvoelen en overtuiging dat dit kosmische gebeuren zijn eigen orde niet kan voortbrengen noch zelf kan waarborgen.  Er moet een oproepende, mysterieuze Kracht bestaan dat dit heelal en de mens ‘verlokt’ en onophoudelijk uitnodigt om mee te evolueren en te groeien in verbondenheid, in gerechtigheid en solidariteit, in mededogen en liefde.

 

  1. Die mysterieuze ‘verlokker‘ wil ik graag benoemen met de naam ‘god’, een symboolnaam voor een transcendente, allesomvattende Werkelijkheid die wij ons niet kunnen voorstellen en die alle menselijk begrijpen te boven gaat. Bij deze affirmatie ben ik er mij wel van bewust dat het hier om een aanvoelen gaat en een levensvisie die zich aan mij opdringt en die ik voor mezelf ook rationeel kan verantwoorden (niet strikt bewijzen!) terwijl anderen vanuit hun inzicht en levenservaring zo’n transcenderend gegeven precies afwijzen.  Hier scheiden zich ten gronde de wegen van een theïstische en een a-theïstische verklaringsgrond voor het Mysterie van het Leven.

“De aarde draait rond in raadselen en de hemel verbergt zich achter het licht

De tijd vervolgt zijn weg door de dag, bonst in mijn hart, vervoert de seizoenen

De schepping vertelt me niet wat zij weet, haar oorsprong blijft ondoorgrondelijk

De wind houdt een boodschap achter en trekt voorbij met verzegelde lippen

De nacht ontvlucht mij, de sterren zwijgen, niets laten zij los over voleinding.

Ik ben te gering voor Gods grote dimensies, mijn verstand bevat de dingen niet

De blik van mijn liefsten ontglipt mij, hun binnenmeren bevaar ik niet.

Dit te ontdekken: het verbijstert mij.  Als een bedelaar zit ik neer langs de weg.

Wat mij nog rest:

mijn ziel buigen en de luister aanvaarden van wat mij te boven gaat.”

(C. Visser)

  1. Alle religies van enige betekenis vertrekken vanuit die raadselachtige, overstijgende en overweldigende ervaring die de schepping is, met de mens daar middenin, die zich, met het rijpen van de tijd, ook meer en meer opgeroepen weet om het goede te doen, het kwade te laten en te knielen voor de Natuur, voor het Mysterie dat ons draagt en voedt…
  • Ook de oud-testamentische bijbel met zijn prachtige mythische verhalen en psalmgezangen is de schriftelijke neerslag van zo’n ervaringsgeschiedenis van mensen, ja, van een volk dat zich meer en meer bewust wordt van zijn plaats, zijn roeping, zijn bestemming in het leven en in de geschiedenis van volkeren.  De stenen tafelen van Mozes met de 10 geboden zijn in dat bewustwordingsproces een bijzonder inspirerend scharniermoment geweest.  Binnen die bijbels-joodse religieuze bewustwording en cultuur situeert zich Jezus van Nazareth, een religieus genie, een ‘profeet en leraar’, een goddelijke mens die als geen ander ervaren en doorleefd heeft de verlokkende nabijheid van een liefdevolle, scheppende God, een God die zich manifesteert in de ganse schepping, een God die ons oproept tot ‘menswording’, tot een ‘wereld van broeders en zusters’, een God in wie wij ons ook geborgen mogen weten en die wij kunnen en mogen aanspreken als Vader.

 

  1. Zelf ben ik opgegroeid en gevormd in deze bijbels-evangelische levensvisie en spiritualiteit, weliswaar verpakt en verduisterd en hier en daar ook zwaar vervormd, ja soms ook verraden door de kerkelijke ideologie en de gezagsstructuur er omheen. Vastgelopen in die kerkelijke ideologie ben ik, met mijn ziel overhoop, op zoek gegaan naar andere inspiratiebronnen van ‘leven’ en bestudeerde ik koortsachtig andere religies en zingevingssystemen. Het was voor mij een schokkende ervaring  te moeten vaststellen dat er  inderdaad vele wegen zijn van ‘menswording’ en dat het christelijk geloof, ook en vooral in zijn katholieke interpretatie, geen aanspraak kan maken op een soort ‘absolute waarheid’.  En zie, ik heb toen, niet zonder angst en vrees voor mijn schamele naaktheid, mijn priesterlijke gewaden afgelegd en, uiteindelijk gelouterd, mijn oude ziel terug gevonden.  

 “In het holst van de nacht wordt mijn wezen opnieuw ontvankelijk en doorgloeit de Onnoembare mij als een minnaar

Diep in mezelf ligt het weten van de liefde, diep in mijn wezen ligt de kennis van de weg.

De weg verheft mij, doet mij opstaan en geleidt mij stap voor stap naar het licht.

Het kwaad blijft achter als as in de oven, het dorre blad wordt vruchtbare grond.

Schepping en voleinding verstrengelen zich, het lied van de wind laat een glimlach achter.

Zo leer ik mijn weg te gaan in vertrouwen, zo vinden mijn ogen de ogen van anderen.

Genade op genade: ik mag voortgaan in armoede van geest en binnengaan in het Mysterie dat mij draagt en uitdaagt, telkens weer…”

(C. Visser)

 

  1. Het moge duidelijk zijn: bij de wezenlijke kern van de bijbels-evangelische spiritualiteit, ontdaan van zijn tijdsgebonden elementen, daar voel ik mij thuis, kom ik thuis en wordt mijn ziel gevoed. En wat is er dan zo wezenlijk? Hoe onooglijk mijn mensenbestaan ook moge zijn, toch kan en mag ik op mijn ervaring vertrouwen dat mijn leven inderdaad een deel is  van een groter, zinvol geheel dat mij overstijgt en waaraan ik mij mag toevertrouwen en waaraan ik participeer in een leven gevend proces van nemen en geven, van ebbe en vloed, het ritme van alle leven…
  • Ergens van betekenis kunnen zijn, dat verlangen heb ik niet uit mezelf.  Het is als een roep over mij.  Een toegewijd leven, de kleine goedheid van mens tot mens, zorg voor wat kwetsbaar is, dankbaarheid om zoveel zegeningen, het bevorderen van verbondenheid en vriendschap, van liefde –zoveel soorten liefde– die geneest en leven doet…  Mijn ‘staan en gaan’ is voor mij dan ook veel meer dan enkel gehoor geven aan een of ander ethische of morele imperatief om mens en schepping ‘recht’ te doen en niets of niemand bewust schade te berokkenen. Humane waarden van schoonmenselijkheid betrachten –de voltooide mens is de dienstbare, liefdevolle mens- is voor mij voor en boven alles een ‘goddelijk’ appèl, een roeping: handen en voeten geven, taal en mond en lippen aan het goddelijk Mysterie dat ook mij draagt en voedt.  ‘Ik heb geen andere handen dan de uwe’.  Of nog, zoals er te lezen staat in de brief van Johannes: “Wie liefheeft kent God, wie niet liefheeft kent God niet”.  Het werkwoord ‘kennen’ staat hier niet voor een soort rationeel kennen maar voor ‘openbaren, zichtbaar maken, uitleven’ zodat je terecht mag vertalen ‘Wie liefheeft leeft God uit; wie niet liefheeft verduistert  God’.

 

  1. En er is nog meer dat voor mij wezenlijk is in het beamen van een christelijke spiritualiteit. Omwille van de godsbeleving van Jezus van Nazareth en ook die van zovele profeten vóór hem en van zovele heiligen en mystici na hem, kan en mag ik mij verhouden tot dat Onnoembare, nabije én transcendent goddelijk Mysterie als een aanspreekbaar ‘Tegenover’, als ware het een persoon, een Gij…  Lees wel: als ware het een persoon…

“Bij U, ik ben altijd bij U.  Gij houdt mij vast, uw hand in mijn hand.  Alles zult Gij ten goede leiden.  Gij voert mij mee in uw raadsbesluit.  Wat is de hemel voor mij zonder U, wat moet ik op aarde als Gij niet bestaat? Al wordt mijn lichaam afgebroken, al sterft mijn hart, Gij zijt  mijn rots, mijn God, de toekomst die op mij wacht…” (psalm 75).  Onnodig hierbij op te merken dat zo’n Tegenover, zo’n Gij, de bedding vormt van mijn opstaan en slapengaan: steeds weer zoeken mijn ogen naar U!

 

  1. De vele christelijke kerken en geloofsgemeenschappen hebben doorheen de geschiedenis in grote verscheidenheid telkens opnieuw een organisatiestructuur in het leven geroepen met de bedoeling de evangelische boodschap omtrent de zin en de opdracht van het leven zo authentiek mogelijk door te geven en meer en meer navolging te doen vinden. Een blijde boodschap als een licht in de duisternis van het menselijk bestaan, als een weg van hoop en troost in bange tijden, als een houvast in ‘menswording’.  Macht en corruptie, godsdienstoorlogen en geestelijke onderdrukking, rituele verstarring, dogmatisme en zelfbehoud hebben veel verduisterd en vaak het licht gedoofd, tot op vandaag.  Ik voel mij inhoudelijk vervreemd van die al te menselijke kerken en toch ook weer gefascineerd en betrokken.  Ik voel mij blijvend een lot- en tochtgenoot, ik ervaar een soort solidaire verbondenheid én omwille van mijn eigen menselijk tekort, én omwille van diezelfde droom, waar het uiteindelijk om gaat: een wereld van broeders en zusters…

“Toen keerden velen van zijn leerlingen Hem de rug toe en trokken niet langer met Hem mee.  Hierop vroeg Jezus aan de twaalf: willen ook jullie weggaan? Simon Petrus antwoordde: Maar Heer, naar wie zouden wij gaan? In uw woorden vinden wij inspiratie om er voor eeuwig van te leven.  Wij geloven vast en zeker dat u een heilige van God bent…” (Joh. 6,66-68)

Luc Hessel, 2018