Religie: bedenkingen

Religie: bedenkingen over het godsbegrip

Daniël Vanhoutte
september 2019

Voor veel mensen van deze tijd is ‘God’ een zwaarbeladen begrip. Het besef van tot een groter geheel te behoren is nog wel alom aanwezig maar men aarzelt om de stap te zetten naar een volwaardig godsbegrip. Veel traditionele godsbeelden hebben intussen hun zeggingskracht verloren. Het valt in deze tijden moeilijk om God te zien als Vader, Koning, Heer of Rechter. Ook de vrij algemene aanvaarding van de evolutieleer i.v.m. het ontstaan van mens en heelal heeft het begrip van God als schepper zo goed als overbodig gemaakt alhoewel de discussies over het creationisme en het zog. ‘intelligent design’ het debat en de kritische reflectie af en toe weer aanwakkeren. Vandaag de dag beperken velen zich tot het geloof in ‘iets’, wat aanleiding heeft gegeven tot de ironische benaming van ‘ietsisme’. Theologisch gezien is het ‘ietsisme’ nochtans verre van belachelijk want het doet misschien meer recht aan de goddelijke transcendentie dan allerlei al te antropomorfe godsbeelden.  De zogenaamde ontologische theologie heeft voor de geseculariseerde westerse mens haar zeggingskracht verloren. Ook de klassieke argumentatie dat God een noodzakelijke hypothese is om het ontstaan van het leven, de kosmische orde en de morele natuurwet te verklaren, kan velen niet meer overtuigen. Voor zover het godsbegrip niet volledig verdampt is, worden we uitgedaagd om te herijken.

Onvermijdelijk is de vraag of de mens uit zichzelf God kan kennen en of dit kenvermogen een natuurlijk gegeven is dan wel of het kennen van God afhankelijk is van een goddelijke openbaring. In de christelijke godsdiensten is openbaring een cruciaal begrip. Op welke manier laat God zich kennen? Hoe spreekt hij tot de mensen? Zijn er exclusieve vormen van openbaring die slechts voor uitverkorenen toegankelijk zijn? In welke zin zijn kerken bewaarders en behoeders van de openbaring? Is goddelijke openbaring aan specifieke plaatsen, personen en tijdstippen gebonden? Staat het innerlijk godsbesef van de mens al dan niet in correlatie met een autonome werkelijkheid buiten de mens? Is God méér dan een psychologische projectie? Is God een uitvinding of een ontdekking? Heeft het nog zin te spreken van natuur en bovennatuur? Heeft de klassieke theologie voor de mens van deze tijd nog existentiële betekenis?

Het godsbegrip behoort tot het domein van de metafysica, d.w.z. de werkelijkheid die buiten het domein van de fysica ligt. In de filosofie is de metafysica het onderdeel van de wijsbegeerte dat zich bezighoudt met ‘de laatste, bovennatuurlijke gronden van de dingen en de werkingen’. De theologie is naarstig op zoek naar nieuwe paradigma’s maar de kerkelijke documenten ademen nog volop de thomistische denktrant. De cultuur van de moderniteit dwingt de theologie nochtans tot een copernicaanse omkering van perspectief naar analogie met de perspectiefwissel in de kosmologie. Een theologie die uitgaat van God als axioma of onwankelbare premisse lijkt niet meer geschikt om de mensen van deze tijd tot een godsbesef te brengen. In de huidige context lijkt het vruchtbaarder om uit te gaan van de vraag wat de moderne mens zelf als ‘heilig’ of ‘goddelijk’ ervaart.

Traditioneel wordt God als een transcendente werkelijkheid beschouwd. Het begrip ‘transcendentie’ kan echter op verschillende manieren ingevuld worden. Transcendentie in traditionele zin heeft de betekenis van ‘uitstijgend boven al het kenbare’ en dus behorend tot de orde van het bovennatuurlijke. Het kan ook de betekenis hebben van volmaakt en absoluut’, als een soort virtuele synthese van al wat de mens zich als goed en waardevol kan voorstellen. In deze laatste zin is het transcendente niet noodzakelijk van een andere orde maar eerder een dieperliggende dimensie van de ene en enige werkelijkheid. In de meer prozaïsche betekenis van ‘uitstijgend boven’ is er trouwens al een vorm van transcendentie te vinden in de dynamiek van het leven zelf.

Het leven streeft uit zichzelf naar groei, rijping en ontplooiing van mogelijkheden. Van bij de conceptie geeft het leven blijk van een onstuitbare drang naar groei en ontwikkeling. Tussen geboorte en volwassenheid doorloopt elke mens een indrukwekkende evolutie van hulpeloze baby tot zelfstandige persoon.  In zijn gerichtheid op de toekomst heeft ook elke jongere specifieke en soms heel persoonlijke verlangens, doelstellingen, ambities en idealen. Ook het verdere leven van een volwassene is een continu proces van loutering en rijping. Daarin herkennen we een kracht die de mens stuwt tot uitstijgen boven zichzelf. Het menselijk leven geeft daarmee blijk van een merkwaardige dynamiek, die de vraag oproept hoe het mogelijk is dat het hogere uit het lagere kan voortkomen. We kunnen zeggen dat het leven op zichzelf al een creatief proces van voortdurende zelftranscendentie is.

De onderliggende drijfkracht van dit streven is een gerichtheid op het hogere en het betere. De psychoanalyse heeft trouwens het verlangen herkend en erkend als basiscategorie van de menselijke existentie. Als basale dimensie van het menselijk bestaan moeten we het verlangen een centrale plaats geven in elke antropologie. We kunnen de eigenheid van de mens niet omschrijven zonder rekening te houden met zijn verlangen en zijn vermogen om uit te stijgen boven de directe zintuiglijke waarneming, boven het onmiddellijke hier en nu en boven de beperktheid van het contingente ego. Het menselijk bewustzijn is gekenmerkt door een openheid, die de grondslag vormt van zijn vrijheid en verantwoordelijkheid. In de fenomenologie spreekt men van de intentionaliteit van het bewustzijn. Deze openheid heeft ook betrekking op de metafysische dimensie van het bestaan en vormt daarmee de grondslag van het religieuze bewustzijn.

Het menselijk verlangen kan niettemin vele richtingen uitgaan en kan zich op zeer uiteenlopende objectieven richten, van extreem banaal en vulgair tot extreem idealistisch. Een mens kan verlangen naar geld en bezit, naar aanzien en succes, naar carrière en macht, naar sex en genot maar ook naar vrede, rechtvaardigheid, solidariteit, goedheid, schoonheid en waarheid. Meer in het bijzonder leeft er in de mens ook een verlangen naar bevrijding van lijden en kwaad. Nog een stap verder kunnen we zeggen dat het menselijk verlangen nooit volledig vervuld is omdat het ten gronde gericht is op het volmaakte. Daar ligt het punt waar we het verlangen in verband kunnen brengen met de notie van religie. Het volmaakte is universeel, geldt voor alle mensen van alle tijden en is dus transcendent ten overstaan van ruimte en tijd. Het volmaakte heeft de kenmerken van absoluut, eeuwig, oneindig en ontleent juist daaraan wat we zijn ‘goddelijke eerbiedwaardigheid’ kunnen noemen. Religie is dan in essentie de oriëntering van de mens op het absolute. De religieuze mens verlegt het zwaartepunt van zijn bestaan naar een hogere dimensie, waaraan traditioneel de naam ‘God’ werd toegekend. Het godsbegrip kunnen we hierbij omschrijven als een metaforische personificatie. Dit houdt in dat ‘het goddelijke’ meer adjectief is dan substantief, meer attribuut dan op zichzelf bestaande werkelijkheid. Het gaat niet langer over de kwellende vraag of God wel of niet ‘bestaat’ dan wel of wij in het bestaan van mens en kosmos al dan niet een dimensie van sacraliteit erkennen. Omdat het godsbegrip samenvalt met het volmaakte en het absolute, ervaart de mens zich als geroepen om zijn leven op God te richten, de gerichtheid op God te cultiveren en te streven naar ‘heiliging’ door te doen wat God van hem verlangt, d.w.z. door een antwoord te geven op een appel. Niet alleen priesters en kloosterlingen maar elke gelovige heeft een goddelijke roeping.

Vanuit de religieuze gerichtheid op het absolute valt ook te begrijpen waarom er van de godsdiensten zo’n grote cultuurscheppende kracht uitgaat. Religie doet immers een beroep op het beste in de mens en is juist daardoor een cultuurscheppende factor van eerste orde. Sterker nog: als we kijken naar wat de godsdiensten in het verleden tot stand gebracht hebben, mogen we zonder meer zeggen dat religie de moeder van alle cultuur is. De gerichtheid van de mens op een transcendente orde is onmiskenbaar de diepste bron en het fundament van alle beschaving. Wat het christendom in de voorbije eeuwen in onze contreien aan cultuur en civilisatie tot stand heeft gebracht, is daarvan het sprekendste bewijs. Kortom, godsdienst is het nobelste cultuurproduct van de mens. De zwarte bladzijden van de kerkgeschiedenis doen daar geen afbreuk aan omdat ze niet te maken hebben met het wezen van de religie maar met de institutionele en historische vormgeving ervan.

Het is de specifieke taak van de georganiseerde godsdiensten om de natuurlijke religiositeit vorm en structuur te geven. We zouden kunnen zeggen: godsdienst is de culturele en institutionele vormgeving van de religie. Het zijn de godsdiensten die voor de mensen proberen uit te maken wat de consequenties zijn van het geloof voor de concrete levenspraktijk. Godsdiensten groeien vaak uit tot coherente systemen maar vandaag de dag is er ook veel religie buiten de traditionele structuren. Aan de godsdiensten is er wel degelijk ook een keerzijde. Net als alle grote systemen hebben ook de godsdiensten een neiging om zichzelf te verabsoluteren. Ook daarvan zijn de sporen in de geschiedenis terug te vinden. Meer in het bijzonder hebben godsdiensten een neiging om hun instituties en rituelen te sacraliseren en ze met een aureool van onaantastbaarheid te omgeven door ze een goddelijke oorsprong toe te kennen. Zo zien we dat de katholieke traditie heel sterk gegrondvest is op ambten, sacramenten en leerstellige opvattingen die op Jezus zelf teruggevoerd worden. Progressieve theologen durven hierbij vraagtekens plaatsen maar de officiële kerk is als de dood voor de dreiging van wat ‘relativisme’ genoemd wordt. Niettemin valt moeilijk te ontkennen dat het huidige proces van ontkerkelijking voor een groot deel te begrijpen en te verklaren is als een reactie op een (te) verregaande dogmatisering en klerikalisering van het geloof. De zo verketterde secularisatie van de westerse cultuur is daarvan niet de oorzaak maar het gevolg. Het valt kerkleiders blijkbaar bijzonder moeilijk om te erkennen dat de crisis van kerk en geloof niet uitsluitend veroorzaakt is door externe factoren maar ook in het hart van het kerkelijk systeem zelf zit. Roger Lenaers spreekt in dit verband van “een reus op lemen voeten”.

De religie zegt dat de mens door God geroepen wordt maar een cultuur die God miskent  werpt de mens op zichzelf terug. In de voorbije eeuwen is in West-Europa een cultuurmodel tot ontwikkeling gekomen, dat zich van God en godsdienst heeft afgewend en zich verder ontwikkelt alsof er geen God meer is (“etsi deus non daretur”). De dominante cultuur van West-Europa heeft de religie naar de periferie verbannen en de menselijke autonomie in het centrum geplaatst. Het doel van het leven wordt in onze cultuur vooral gesteld in termen van zelfontplooiing, zelfbepaling en zelfbeschikking. Dat maakt het voor de traditionele kerken bijzonder moeilijk. De kapitale vraag is natuurlijk of de westerse cultuur niet lijdt aan overmoed en zelfoverschatting. De geschiedenis zal uitwijzen of deze ontwikkeling een uiting is van emancipatie of van aliënatie.

mei 2019