De weg van mijn leven

De weg van mijn leven

Fons Vandormael
September 2019

In de tekst hieronder wil ik een aantal gedachten neerschrijven die mij helpen mijzelf beter te begrijpen. Het zijn gedachten die ik in beelden tot expressie probeer te brengen. Die beelden zijn voor mij een verhaal geworden. Geen historisch verhaal, geen objectief verslag van historisch gebeurde feiten, wel een interpretatie, mijn persoonlijke interpretatie van wat in de traditie tot mij gekomen is. Ook die traditie is een interpretatie van feiten, herinneringen aan feiten, aan dromen en verwachtingen die met de middelen in een bepaalde cultuur verbeeld zijn. Ook mijn interpretatie is cultureel bepaald: ik leef in de 21e eeuw, in West-Europa dat fundamenteel gevormd en doordesemd is door het Joodse denken zoals dat in de Tenach in een rijk geschakeerde mengeling van mythen, legenden en gelovige interpretaties van hun geschiedenis bijbel is geworden; door het Griekse denken dat eerst op een mythische en daarna filosofische wijze zijn ervaren en begrijpen van de werkelijkheid en de mens gestalte gaf; door de moderniteit, die gestuwd door het wetenschappelijk denken en de immanent denkende filosofie het huidige denkklimaat sterk beïnvloedt; maar ook door het postmoderne denken dat verslag geeft van zijn aanbotsen tegen ‘de grote verhalen’ die zich als fundamenten voor de Westerse cultuur hadden aangediend, en nu als scherven in mijn handen liggen.

Ik ben schatplichtig aan al deze uitingen van de menselijke geest die zichzelf probeert te verstaan, die hem zicht geeft op zijn plaats op deze aarde en die hem doet uitkijken naar een toekomst die – als het mag en kan – steeds meer humaniteit mogelijk en ervaarbaar maakt.
Wat volgt is een poging om een ‘mijn klein verhaal’ samen te stellen, ook na 68 jaar nog een voorlopig verhaal, waarmee ik mezelf probeer te ‘redden’ in een samenleving die mij het gevoel geeft dat zij op dit ogenblik in een storm van mist en onrust verkeert.

Ik zal in de volgende regels de term ‘God’ zo weinig mogelijk gebruiken, omdat hij zoveel beladen betekenissen in zich draagt die men hem/haar/het vanaf het begin van het religieuze denken heeft toegedicht. Het gaat mij niet om de vraag of ‘god’ al dan niet bestaat. Dat is voor mij te moeilijk omdat het woord ‘bestaan’ alleen kan gezegd worden over wat tot deze aarde, de ons ervaarbare en kenbare werkelijkheid behoort. In die betekenis bestaat voor mij ‘god’ niet. Ik heb wel een aanvoelen van een dimensie in mijn werkelijkheidservaren die aan de horizon van mijn bestaan verschijnt, die zich daar laat vermoeden, meestal heel vaag, soms scherper, wanneer ik er mij als persoon door geëngageerd weet. Dan kom ik tot taal, een taal zoals ik die gebruik in relaties. Waarom die taal? Misschien omdat ik in mijn omgaan met mensen iets van gelijke aard ervaar of vermoed.

Ik wil het over mezelf hebben, maar ik doe het via een omweg. Ik wil duidelijker zicht op mezelf krijgen door in mijn denken het verhaal van Jezus van Nazareth op te roepen. Waarom hij? Omdat het beeld van wat een mens is, en vooral wat voor een mens ik zou kunnen zijn, in mijn verhaal over hem het meest tot mijn verbeelding spreekt. Het zal dan ook gaan over hoe ik hem door de voorbije jaren heen ben gaan ‘zien’. Geen letterlijk verhaal, maar gegroeid in mijn contacten met mensen toen en nu, in de levensruimte waarin die diepere dimensie in de werkelijkheid en in mijn aanwezig zijn daarin een beetje oplicht.

Hij was dertig geworden, volwassen. De voorbije maanden vertoefde hij regelmatig op de kade van de vissershaven van Tiberias. Daar liep hij tussen de vissers, de marktkramers en de klanten; Hij hoorde hun verhalen, verhalen die hem troffen door de wanhoop en de onmacht die het leven van deze mensen beheersten. Hij beluisterde hun verwensingen aan de heren in Jeruzalem, die het volk onderdrukten en het leven van de gewone mensen tot een hel maakten. En in de straten zag hij de doffe blik van mensen die gebukt gingen onder de dreigende houding van de Romeinse bezetter, onder de terreur van belastingambtenaars en onder de preken van priesters en Schriftgeleerden die hen vertelden dat God het allemaal zo beschikte.

Wat botste dat met de verhalen die hij van jongs af thuis hoorde en die hij in de teksten las waarin stond dat hun God een God van bevrijding en toekomst was, een God van leven in overvloed. En op een dag besloot hij naar Jeruzalem te trekken. Hij wilde de gezichten zien van de leiders van zijn volk en hij wilde zelf zien hoe zij hun macht en aanzien gebruikten, of beter misbruikten. En met een rugzak vol ergernis en verontwaardiging ging hij op stap, naar Jeruzalem, waarvan in de teksten stond dat het de stad van vrede was, de stad van het goede leven, de hoofdstad van het ‘beloofde land’.

Onderweg botste hij op een groep mensen die zaten te luisteren naar een man die met een harde stem tekeer ging tegen de machthebbers in de hoofdstad, maar die tegelijk ook betoogde dat iedereen zich moest bekeren, omdat in élke mens de neiging tot kwaad doen zit. Wat krom was moest recht worden, was zijn overtuiging. Dat was een man naar zijn hart, in zijn woorden herkende hij zijn eigen onstuimige gedachten, in zijn oproep ontdekte hij zijn eigen roeping. Bij die man wilde hij zich aansluiten. Aan het eind van het optreden van Johannes wrong hij zich tussen de mensen door naar voren en vroeg hem of hij mocht lid worden van zijn beweging. En door zich te laten onderdompelen in het water van de Jordaan, op de plek waar het zoete en het zoute water tegen elkaar aanbotsten, werd hij deelgenoot van het bekerings- en bevrijdingsverhaal dat Johannes verkondigde, een verhaal dat verworteld lag in het Aloude Testament.

En met een lidkaart van Johannes in handen trok hij verder op weg naar Jeruzalem. Maar gaandeweg kwam hij tot het aanvoelen dat een lidkaart niets betekent als je met de droom die eraan vasthing niet zelf aan de slag gaat. Dat deed hem van koers veranderen, en in plaats van naar Jeruzalem te gaan richtte hij zich naar de woestijn, naar die eenzame plek waar je ongestoord, alleen maar met jezelf aan de slag moest. Het deed hem denken aan dat grote verhaal van zijn volk dat eeuwen voordien ook de woestijn was ingetrokken, weggevlucht uit Egypte, het land van onderdrukking en rechteloosheid, met alleen maar een droom in gedachte: ergens moet er een plek zijn waar mensen solidair met elkaar kunnen samenleven, ergens moest er een plek zijn waar men kon leven in vrijheid.
Toen was er ook iemand in opstand gekomen tegen een regime dat een heel volk tot slaaf gemaakt had. Die man, Mozes heette hij, toen de miserie van zijn volk voor hem onduldbaar geworden was, trok op een dag zijn stoute schoenen aan en ging op weg naar de farao en eiste daar de vrijheid voor zijn volk op. Hij voelde zich gedreven, bij het nekvel gepakt door een onbekende, onzichtbare kracht, die hem woorden liet spreken waartoe hij zich nooit in staat gevoeld had, maar die hem toch zo evident leken. En toen die farao hem vroeg: ‘Wie ben jij eigenlijk, wie ben jij dat jij denkt mijn gezag en mijn macht in vraag te stellen?’, was zijn stamelend antwoord: ‘Ik sta hier omdat ik niet anders kan. Als ik hier niet zou staan, dan hou ik op een mens te zijn, dan houdt mijn volk op een mensenvolk te zijn, en ook jij, farao kan maar een mens zijn wanneer je anderen de vrijheid gunt om mens te zijn. En als er een God bestaat, kan ook hij maar een god zijn als hij een God van mensen en niet van slaven of tirannen is.’
Dat volk, dat wel droomde van de vrijheid maar niet wist hoe ze dat moesten waarmaken, heeft er veertig jaar over gedaan om die plek, het beloofde land, het land waar je vrij kon zijn, te vinden. In die veertig jaren hadden ze ontdekt dat die plek maar te ontdekken was in hun eigen manier van leven: door zelf rechtvaardig te worden, door zelf de andere te zien als een medemens en niet langer als een mogelijke vijand of als iemand die je kon inpassen in je systeem, door zelf een mens van trouw te worden, door zelf de vrede te zoeken.

En nu leefde die Jezus in dat zogezegd ‘beloofde land’, maar van die vrijheid viel niet veel meer te merken. Zijn land leek meer op het oude Egypte, het tirannenland, het slavenland. En nu hij zelf weer de woestijn was ingetrokken, wilde hij uitzoeken hoe mensen weer vrij konden worden, en op de eerste plaats hoe hijzelf een vrije mens kon worden. Op die eenzame plaats dacht hij na over hoe het nu verder moest met hem. Hij hoopte dat hij er een weg naar een geslaagd leven zou vinden. Dat was het wat hij zocht: een manier van leven waarvan je achteraf kon zeggen: dit was de moeite waard, dit was écht leven.

In gedachten verzonken flitste hem door het hoofd dat je leven geslaagd is – zo zeggen veel mensen toch – wanneer je een mens werd waar iedereen naar opkijkt, waar iedereen diep voor neerbuigt. En even glimlachte hij. Ja toch! Maar al snel kwam de gedachte dat mensen alleen maar naar je opkijken als jij op hen neerkijkt. En dat was niet wat hij bij Johannes gehoord en gevoeld had.

Maar wacht, rijk worden, dat is het toch waar mensen naar streven, dat betekent toch dat je geslaagd bent, dan verdwijnen al je zorgen. Rijk worden, hoe doe je dat dan? En hij vermoedde dat als hij rijk wilde worden dat daardoor anderen juist armer zouden moeten worden. En ook dat was niet wat hij bij Johannes gehoord en gevoeld had.

Er  was nog iets dat hem aantrok: macht verwerven en het voor het zeggen hebben. De wereld naar je hand zetten, was dat niet iets waar veel mensen hun tijd aan besteden. Maar had hij ook niet gehoord en gezien  dat wanneer één mens machtig wordt, dat dan juist daardoor veel andere mensen machteloos worden en door die machtige kapot gemaakt worden. En dat was het ook niet wat hij bij Johannes geleerd had.

Deze drie paden naar het geluk – waar zoveel mensen mekaar voorbij hollen om de eerste te zijn – leiden alleen maar naar nog meer onrecht, nog meer ellende. En door zijn hoofd spookte het visioen van gerechtigheid waar Johannes zo de mond vol van had. Het was een visioen dat Johannes niet zelf had uitgevonden, het was een visioen dat al eeuwenlang deel uitmaakte van de geschiedenis van zijn volk. Telkens wanneer het beloofde land weer indommelde of kapot gemaakt werd stond er weer iemand op om de oude droom weer op te rakelen. Maar het was een zo sterk verhaal dat bijna niemand het luidop durfde uitspreken. Het was maar een droom, een utopie misschien, iets voor later, veel later, of misschien zelfs een illusie, iets waarmee mensen zich zoet houden zoals mensen die opium gebruiken hun zorgen ook even kunnen vergeten, of een droom waarmee leiders het kleine volk verhinderen in opstand te komen.
En toch, was het niet dat waar zijn lidkaart naar verwees: je moet het lef hebben om eraan te beginnen, om medestanders te zoeken en er samen voor gaan.

En toen stond hij op, en hij liet de woestijn achter zich en ging op weg. Naar Jeruzalem? Neen, dat kon wachten. Wel terug naar huis, daar zou hij eraan beginnen en proberen anderen wakker te maken voor zijn droom. En terwijl hij naar huis ging, herinnerde hij zich hoe die andere profeet, Jesaja, eeuwen geleden die droom had verwoord.
En toen hij thuis kwam ging hij naar de synagoge en vroeg hij aan de voorganger of hij mocht voorlezen uit de rol van de profeet Jesaja. En toen nam hij die bijzondere, utopische tekst die ondertussen zijn levensmotto was geworden:

“Ik ben gezonden om aan armen de blijde boodschap te brengen, om aan gevangenen hun bevrijding aan te zeggen, om blinden te laten zien, doven opnieuw te laten horen en verlamden weer op eigen benen te laten staan.”

De omstaanders keken verrast op toen zij hun eenvoudige dorpsgenoot die woorden hoorden uitspreken en ze keken ernaar uit wat hij daarmee bedoelde. En hij zag hun verwondering en zei toen: “Dit wordt van nu af aan mijn leven; aan die woorden, aan die droom wil ik mijn leven geven.”

En maanden later, toen hij aan dat levenswerk bezig was, waren er mensen die gewaar werden: dit is een bijzonder mens, hier voelen en ervaren wij iets van wat wij aan God zelf toeschrijven; door zijn manier van leven komt dat diepe verlangen van kleine, kwetsbare en gekwetste mensen  tot vervulling. Zoals hij leeft, zo zijn mensen bedoeld in het verhaal van de eerste mens, van elke mens die op de wereld komt: God schiep hem naar zijn beeld: wie op zoek zou gaan naar de onzichtbare God, die zou hem moeten kunnen tegenkomen in een mens die leeft voor zijn medemens. Dat zou het waarmerk worden van wat het woord ‘mens’ betekent en inhoudt.

Voor anderen echter werd hij een bedreiging: hij gaf kritiek op hun opvatting van wat zij een geslaagd leven noemen, want hun voorrechten gingen ten koste van de basisrechten van zovele anderen. Zo iemand moest uit de weg geruimd worden, over zo iemand moest je een kruis maken. En dat hebben ze dan ook maar gedaan: hem letterlijk aan een kruis gehangen.

En toen zweeg iedereen, ook zijn beste vrienden, totdat iemand, stilaan enkelen durfden zeggen: “Hij had gelijk! Zoals hij leefde, dat was het echte leven!” En ze lieten het niet bij woorden, maar ze gingen op weg, zoals hij. En vandaag zijn er nog mensen die diezelfde weg gaan, overtuigd dat zijn droom overeind moet blijven in een wereld waarin nog miljoenen gekwetst worden en niet tot leven kunnen of mogen komen.

En ook vandaag zijn er mensen die zich afvragen hoe zij hun leven zin kunnen geven en ontdekken dat dat alleen maar kan wanneer je van een mens een medemens wordt.

Ik wil nog altijd lid blijven van die beweging en daarom nu en dan weer eens de woestijn intrekken, me dat verhaal weer eigen maken om hopelijk de goede richting te vinden en die keuzes te maken waardoor mijn omgeving, ikzelf incluis, weer een beetje menselijker wordt. Dan moet ik tochtgenoot worden van vele anderen die diezelfde droom koesteren en er zich aan wagen, … ondanks alles.
Ik wil dit verhaal in mijn eigen leven verweven, en tegelijk wil ik mijn leven in dit verhaal verweven.

Als ik zo een mens wil worden, dan moet ik op zoek gaan naar bondgenoten, mensen die die droom willen mee schragen, elk vanuit zijn eigen mogelijkheden. Dan moet ik mensen durven aanspreken , wie ze ook zijn: medestanders en tegenstanders, en misschien vaststellen dat die termen eerder gebaseerd zijn op vooroordelen dan op wie of wat zij werkelijk zijn: andere mensen. En misschien moet ik dan ook ontdekken dat ik soms mijn eigen tegenstander ben, iemand die helemaal niet beantwoordt aan dat mooie zelfbeeld dat ik mij voorhoud, en op andere momenten een mens die een stap verder durfde te zetten dan ik zelf voor mogelijk hield, die grenzen durfde verleggen waardoor een ruimte ontstond waar de andere en ik een wij werden.

Ik ben een mens onderweg. Waarheen? Rusteloos en gedreven stap ik verder, naar de horizon waar mijn dromen verscholen liggen, waar iemand op mij wacht: jij – of Jij misschien.