Leerstelligheid in de Rooms-Katholieke Kerk

Leerstelligheid in de Rooms-Katholieke Kerk

Daniël Vanhoutte
September 2019

Van bij het prille begin waren er in het christendom felle disputen over de juiste leer. De eersten die het met mekaar aan de stok kregen waren niemand minder dan Petrus en Paulus in Antiochië over de vraag of het christendom alleen toegankelijk was voor Joden of ook voor niet-Joden. Heel de verdere geschiedenis van het christendom is getekend door een voortdu­rende strijd tussen theologische scholen en strekkingen, die mekaar bekampen en verket­teren in naam van de ene, zuivere en eeuwige waarheid. Bovendien is het christendom uiteengevallen in verschillende grotere en kleinere confessies, die allemaal overtuigd zijn dat ze de waarheid over God en Christus verkondigen. Zelfs de drie grote hoofdstromen – katholieken, protestanten en orthodoxen – komen maar heel moeizaam en schoorvoetend tot enige oecumene.

Het kerkelijk establishment geeft in deze materies blijk van een onwrikbaar dogmatisme. In naam van de “heilige” traditie blijft Rome zich vastklampen aan de “klassieke” theologie. Theologen die iets te ver daarvan afwijken worden vroeg of laat teruggefloten. Niemand minder dan paus Benedictus zelf was een fervente voorstander van een blijvende filosofische verankering van de theologie in de Griekse filosofie. In zijn ophefmakende toespraak aan de universiteit van Regensburg op 12 september 2006 is hij daar onomwonden voor uitge­komen. Door deze pauselijke toespraak is het probleem terug op zijn scherpste gesteld. Het eigenlijke onderwerp van deze toespraak was niet de relatie tussen christendom en islam maar wel de verhouding tussen geloof en rede en meer specifiek de betekenis van de Griekse filosofie voor de christelijke theologie. Voor paus Benedictus is het samengaan van christelijke theologie en Griekse filosofie een geschenk van de Voorzienigheid. Voor deze paus is de band tussen bijbel en Griekse filosofie van blijvende en universele bete­kenis: “In de hellenistische periode ontmoette het bijbels geloof het beste van de Griekse gedachte op diepgaand niveau, resulterend in een wederzijdse verrijking die vooral in re­centere wijsheidsliteratuur duidelijk is geworden” en verder: “De interne verzoening tussen bijbels geloof en Grieks filosofisch onderzoek was een gebeurtenis van beslissend belang, niet alleen vanuit het standpunt van de geschiedenis van de godsdiensten, maar ook van­uit dat van de wereldgeschiedenis”. In de ontwikkeling van de moderniteit ziet hij vanaf het tijdperk van de Hervorming tot op onze dagen vooral de herhaalde pogingen tot dehelleni­sering (ont-Grieksing) van het christendom en zijn theologie. Benedictus stelt het probleem als volgt: “De thesis dat de kritisch gezuiverde Griekse erfenis een integraal deel van het christelijk ge­loof vormt, is beantwoord door de vraag naar een dehellenisering van het christendom, een vraag die meer en meer overheerste in theologische discussies sinds het begin van de moderne tijd”.

In dat proces van dehellenisering onderscheidt Benedictus drie fasen: de Hervorming van de zestiende eeuw, de liberale theologie van de negentiende en twintigste eeuw en het cultureel pluralisme van de laatste tijd. Zijn conclusie is dat geen enkele van deze stromin­gen de diepe wijsheid van de Griekse logos kan vervangen noch evenaren omdat in de moderne filosofie slechts een beperkte rede aan bod komt. Meer in het bijzonder plaatst Benedictus het moderne positivistische rationalisme in oppositie met het platonische den­ken. De westerse wereld zit volgens deze paus eenzijdig in de ban van de positivistische rede en de daarop gebouwde filosofieën. Zijn alternatief luidt als volgt: “De moed om zich te engageren tot de hele breedte van de rede – en niet tot de ontkenning van zijn grandeur – dat is het programma waarmee een theologie die is gegrond in bijbels geloof de debatten van onze tijd binnen moet gaan”. Dit kan volhens hem alleen maar slagen “als we de onszelf opgelegde beperking van de rede tot het empirisch meetbare overwinnen en als we opnieuw zijn enorme horizonten onthullen”. Hij beschouwt het als een prioritaire taak van de universiteit om permanent “de grote logos te herontdekken”.

Het standpunt van paus Benedictus inzake dehellenisering van de theolo­gie staat diametraal tegenover dat van moderne theologen, die het christendom juist willen zuiveren van hellenistische invloeden, meer in het bijzonder van het (neo)platonische dua­lisme. Voor Benedictus is de dehellenisering van het christendom een dwaling, voor ande­ren is het een dringende prioriteit. We moeten daarom onderscheid maken tussen de ba­sisintuïties van het christelijk geloof en zijn theologische vertaling met behulp van hellenis­tische begrippen en denkpatronen. Als we ervan uitgaan dat theologie zoals alle weten­schap mensenwerk is, moeten we toegeven dat er geen theologie voor de eeuwigheid be­staat. De geschiedenis toont ons trouwens voldoende overtuigend aan dat de theologie nooit heeft stilgestaan maar altijd heeft gezocht om zich opnieuw te formuleren vanuit de vragen van elk nieuw tijdperk. Theologie is een kwestie van nadenken, schrijven, publice­ren, preken en doceren. Het is dus door en door een menselijke bedrijvigheid en als zoda­nig nooit definitief maar – zoals elke andere wetenschap – perfect vatbaar voor verandering en ontwikkeling. De vraag is dus of de klassieke theologie nog in staat is om het christen­dom te verkondigen in de wereld van nu.

Leerstellige eenheid is nu al twintig eeuwen lang een illusie maar blijft niettemin een taaie obsessie. De kerk van Rome geeft het niet op en blijft fanatiek begaan met het probleem van de eenheid en de zuiverheid van de leer. We botsen zelfs onvermijdelijk op de vraag in welke mate deze dogmatische star­heid mede oorzaak is van de ontkerkelijking van de laatste decennia. Dit is geen pleidooi voor grenzeloos relativisme maar wel voor theologische vernieuwing en vooral een plei­dooi voor durf en moed. Een hele reeks theologische concepten hebben in de loop der tij­den een sacraal statuut gekregen waardoor ze voor eeuwig onaantastbaar leken maar de moderniteit heeft ze van binnenuit aangevreten en uitgehold zodat ze alleen nog als fos­sielen blijven voortbestaan. Het kerkelijk spreken en denken zit verstrikt in zijn eigen spin­sels en moet daaruit weer losgeweekt worden. Ongetwijfeld zijn velen bereid daarvoor een handje toe te steken.

Er zijn in elk geval hoopgevende initiatieven van theologische vernieuwing. De theologi­sche faculteit van de KULeuven is al jaren intensief bezig met een grootschalig onder­zoeksproject over kerk en geloof in de postmoderne context. Aan deze universiteit werd in 2007 op het jaarlijkse feest van Lichtmis een eredoctoraat toegekend aan de Franse priester Louis-Marie Chauvet van wie in de laudatio gezegd werd dat zijn theologisch oeu­vre grensverleggend is geweest en dat hij in het theologisch bedrijf een paradigmaver­schuiving heeft tot stand gebracht. Deze vernieuwing blijkt vooral te liggen in een interdis­ciplinaire benadering van het denken over de christelijke existentie, waarbij de heden­daagse filosofie en de moderne menswetenschappen niet langer als bescheiden hulpwe­tenschappen maar als volwaardige partners in de theologische reflectie betrokken worden. Daarmee wordt een alternatief geboden voor de neothomistische stijl van theologie bedrij­ven. Meer in het bijzonder heeft Chauvet de sacramenten weggehaald uit het causalis­tisch-juridisch denkpatroon van de scholastiek. Voor Chauvet is een sacrament niet langer een ritueel van causale instrumenta­liteit maar een act van symbolische bemiddeling. Deze vernieuwde sacramentologie is voor Chauvet ook het uitgangspunt voor een algemene her-denking van de christelijke theologie. Chauvet zegt het onverbloemd: “it is the entire field of theology that is to be re­thought”. De uitdaging is er dus in gelegen de eigenheid van het christendom op een nieuwe manier te laten oplichten in de multiculturele, multireligi­euze en mondiale context van deze tijd. Dat is een enorme onderneming voor meer dan één generatie van theologen en voor meer dan één paus.